Assisen - hoofdstuk 18
18. Achter iedere zwakke man staat een sterke vrouw
‘Zit nu toch stil of ik knip nog in uw oor.’
De stem van Marie-Jeanne Van Dessel, geboren Goetstouwers, klonk geïrriteerd. Ze stond met schaar en kam over het hoofd van haar man gebogen in de keuken. Damiaan Van Dessel zat in een verkrampte houding op de vouwstoel die buren ooit bij het groot vuil hadden gezet. De Van Dessels hadden gewacht tot het donker werd om de stoel gauw gauw mee te nemen. ‘Ge weet toch nooit of de mensen u dat kwalijk nemen.’
Zijn vrouw had een versleten badhanddoek om de nek van haar echtgenoot geknoopt en in zijn kraag gemoffeld. Onder de stoel had ze kranten uitgespreid. Om de gevallen haren op te vangen. Groot was de oogst niet: het haar van Damiaan Van Dessel was met de jaren dun geworden. Grijzer en dun. Van Dessel was pas een week eerder naar de kapper geweest, naar kapper Ludwig waar hij al bijna heel zijn leven klant was. Waar hij gewoon in de kappersstoel kon plaatsnemen en niets moest zeggen. Alleen moest knikken wanneer Ludwig pro forma “Gelijk gewoonlijk?” vroeg. Waar hij met een vage glimlach naar de discussies over voetbal, vreemdelingen en straffe verhalen uit ‘Dag Allemaal’ luisterde zonder er zich zelf in te moeten mengen. Marie-Jeanne Van Dessel hield niet van kapper Ludwig. Ze noemde hem ‘een antikiteit’. Ja, het was waar dat de coiffeur de tachtig al gepasseerd was. Dat zijn hand niet meer zo vast was. Dat hij maar twee ‘coupes’ kende: kort en heel kort. Dat hij geen vochtinbrengende crèmes voor zijn spiegel had staan. Enkel een sifon met reukwater en een grote pot met brylcreem, waarvan de kapper de enige afnemer geworden was. Dat de enige foto in zijn salon er een van Stanneke Ockers was, met handtekening alstublieft, want de allrounder Ockers was klant geweest bij Ludwig. Ze scheelden maar enkele jaren in leeftijd en waren in dezelfde straat in Borgerhout opgegroeid.
“Met zo’n kapsel kunt ge toch niet onder de mensen komen,’ had Marie-Jeanne gezegd nadat ze hem op zondagmorgen, na de pistolekes, kritisch gemonsterd had. “Door die kale plekken ziet ge er ouder uit dan ge zijt.” Damiaan Van Dessel was vierenveertig. Om de zondagsmis bij te wonen was zijn haardracht geen beletsel geweest. Al had ze hem verplicht zijn kostuum voor belangrijke aangelegenheden aan te trekken, wat nog een ander was dan het zondagse pak. Ze wilde zien ‘hoe het viel’, had ze hem gezegd. Na de kerkdienst was ze met naald en draad in de weer geweest want de broek spande te veel om het middel en omdat hij zijn linkerschouder altijd omhoog stak, trok de knopenrij van het vest scheef. Ze had scherpe vouwen in de kostuumbroek gestreken. Hij had het pak uit de C & A een keer of drie moeten aan- en uittrekken, had al zijn hemden moeten passen om te zien welk het beste bij de kleur van zijn kostuum ging, had gelijk een onnozelaar in zijn marcelleke en onderbroek gestaan terwijl zij met spelden in haar mond commentaar had gegeven. Uiteindelijk, na lang twijfelen, hadden het lila hemd en een paarse das genade gevonden in haar ogen.
‘Ge wilt er toch niet gelijk een bedelaar bijlopen?! ‘ had ze zijn zwakke protest in de kiem gesmoord.
‘Maandag, na de eerste zitting, gaan we hemden kopen in de Innovation. Die is tot zes uur open, dus dat zal nog wel lukken.’
Zijn vrouw had nu zijn scheermes van Gillette uit de badkamer gehaald en verwijderde al krabbend vier of vijf wildgroeiende haren en wat ze ‘oneffenheden’ noemde uit zijn nek. Morgen, wist Damiaan Van Dessel, zou hij daar rode puntjes of zelfs puistjes krijgen.
Na het avondeten , gebakken kalkoenfilets met appelmoes en diepvrieskroketten, had Damiaan Van Dessel voorgesteld om een frisse neus te gaan halen in het Boekenbergpark. Hij had hoofdpijn, stresshoofdpijn die altijd opkwam als hij voor een moeilijke taak of beslissing stond. Zijn jaarlijkse evaluatiegesprek op het ministerie van Financiën bijvoorbeeld, en zijn belastingaangifte. Of de jaarlijks weerkerende vraag of ze lid zouden blijven van Touring Assistance dan wel overstappen naar de VAB. De jaarlijkse ruzie met zijn broers, en daarna met zijn Marie-Jeanne, over de prijs van het rusthuis waar hun moeder verbleef. Het jaarlijkse gezeur over de vakantiebestemming: hij wilde niet weg uit het appartement in De Haan, zij wilde naar een huisje in De Panne.
“Ge zijt toch bureauchef, Damiaan, het kan er echt wel af.’
Zijn vrouw had een wandeling geen goed idee gevonden. Het was al donker en het had geregend en ze wilde haar nieuwe schoenen niet verruïneren op ‘die slijkpadjes’. In de namiddag had hij ‘neen’ tegen haar gezegd, iets wat hem niet vaak overkwam, toen Marie-Jeanne hem mondeling wilde ondervragen over het dossier van de eenbenige moordenaar. Ze had alle informatie die ze over het proces had kunnen vinden – krantenknipsels en prints van het internet die ze op haar werk bij het OCMW had gemaakt – in een mapje gestopt en Damiaan de opdracht gegeven om de belangrijkste feiten – die ze met roze markeerstift had aangeduid – uit het hoofd te leren.
‘Damiaan,’ had ze hem verweten, ‘ ge zijt wel hoofdman van de jury hé, ge moet leiding kunnen geven, ge moet aan de voorzitter duidelijk maken dat hij op u kan rekenen, dat ge uw juryleden in de hand hebt, ge moet met kennis van zaken verstandige vragen kunnen stellen.’
Het hoofdmanschap van de assisenjury was net de reden waarom Damiaan Van Dessel de vorige nacht amper had kunnen slapen. En toen hij in de kleine uurtjes toch in slaap was gesukkeld, had hij ervan gedroomd. Hij droomde dat de eenbenige man in de beschuldigdenbank een kettingzaag knetterend in gang trok en op de jury toe stapte. Hij droomde dat hij naakt in de jurybanken zat en dat de bodes voortdurend de handen wegtrokken, waarmee hij zijn geslachtsdeel wilde bedekken. Hij droomde dat hij handboeien aankreeg en met de beschuldigde van plaats moest verwisselen. Hij durfde zijn nachtmerries niet aan zijn vrouw op te biechten. Dat Marie-Jeanne had een week vakantie opgenomen om het assisenproces te kunnen volgen, vond hij nog het meest beangstigende van al. Ze had op haar werk supporters willen ronselen (‘Mijn echtgenoot is opgeroepen om in de jury te zetelen!’). Tot haar verbazing en ontgoocheling was niemand ingegaan op haar vraag om samen met haar het proces te volgen. Ze was in staat, vreesde Damiaan Van Dessel, om te applaudisseren iedere keer als hij uit zijn bank overeind zou komen om een vraag te stellen of een antwoord te geven.
Hij wilde geen hoofdman zijn, hij wilde niet in een jury zetelen, hij wilde niets weten over Gommaar Meganck, over de prostituee die hij waarschijnlijk vermoord had, het waren zijn zaken niet. Dat had hij willen zeggen in de assisenzaal, toen zijn naam als eerste werd afgeroepen, dat het zijn zaken niet waren, dat hij niet wilde oordelen over de schuld of de onschuld van een moordenaar, dat hij weliswaar een burger van onbesproken gedrag was, maar dat hij paste voor zijn plichten als burger. Hij wilde aan zijn bureau bij de douane aan het Kattendijkdok zitten en nakijken of de vakken 37 en 44 van het terugzendingsexemplaar van de regeling communautair douanevervoer behoorlijk ingevuld waren, hij wilde de wekelijkse vergadering van bureauchefs en diensthoofden over de invoering van het ‘Enig Document (ED)’ voor de aangifte van verscheepte en vervoerde goederen niet missen. Op het werk hadden zijn collega’s en ondergeschikten hem gefeliciteerd met zijn uitloting, met zijn hoofdmanschap. Er had jaloezie in hun stem geklonken. Een hele week of zelfs iets langer op kosten van de staat een interessant proces mogen bijwonen, wie zou zich dat niet toewensen.
‘Van Dessel,’ had de directeur gezegd toen hij vrijdagnamiddag met een sombere blik het document van de griffie was komen overhandigen, ‘hoofdman zijn is een hele eer maar ook een grote verantwoordelijkheid. Douane Antwerpen rekent op u.’
Bijna was Damiaan Van Dessel in tranen uitgebarsten. Welhaast was hij van zijn stoel flauw gevallen.
“Ge ziet wel een beetje bleek, Van Dessel, zie maar dat ge niet ziek wordt.”
Hij had zich op de WC willen opsluiten , op de bril gaan zitten en er nooit meer afkomen. Hij had zich in tegendeel door zijn collega’s laten meetrekken naar het stamcafé van de douane aan de Londenstraat, had vier pinten gedronken en was op de verkeerde bus gestapt, de bus naar het Zuid. Pas om acht uur was hij thuis aanbeland. Zijn vrouw was niet kwaad geweest, ze had hem monkelend uit zijn jas geholpen. Ze wist al van zijn hoofdmanschap, een politieagent was zijn officiële aanstelling thuis komen bezorgen. Een lijst met de namen en telefoonnummers van zijn medegezworenen, het privénummer van de voorzitter. Plus een dikke brochure met voorschriften, regels en geplogenheden die bij Antwerpse assisenrechtspraak van kracht waren. Ze had de bruine, verzegelde omslag opengemaakt, hoewel er in grote letters ‘PERSOONLIJK’ op geschreven stond.
En ook al had ze het avondeten moeten opwarmen, ook al had hij boeren gelaten aan tafel, ook al had hij de hik gekregen, ook al was hij vrijwel meteen na het eten in de zetel in slaap gevallen en had ze hem maar met de grootste moeite in bed gekregen, ook al had ze – ondanks volgehouden handwerk - geen leven gekregen in zijn lid, dan nog had ze zich met een zucht van tevredenheid naast hem neergevleid. Ze had het altijd geweten: er zou een dag komen waarop haar Damiaan er met kop en schouders bovenuit zou steken.