zondag 27 juni 2010

Assisen - hoofdstuk 17 (deel II)

 

17. Ons kent ons

 

 

Herman Moreels schoot drie keer raak en een keer mis. Hij had wat compassie met de gekweekte fazanten die vanuit het bos hun kant werden opgejaagd. De veren hadden als bij een kussengevecht in het rond gevlogen, het bloed had in het rond gespat. Maar naast goedkoop medelijden had hij ook een killersinstinct naar boven voelen komen. Hij had zich meester over leven en dood gewaand, ook al ging het maar over het armzalige lot van een tamme fazant.
Toen de habitués van de Putse Moer elk twee rondjes hadden geschoten, was het de beurt aan de nieuwelingen geweest. Cyriel Bastiaens had met de glimlach een rennende fazant laten lopen en een vliegende fazant met een enkel schot uit de lucht gehaald.
‘Is dat echt de eerste keer dat u gaat jagen?’ had Kamiel Jacobs geïnformeerd.
Er lag een mengeling van bewondering en wantrouwen in de vraag. De computerman had bijna verontschuldigend de schouders op getrokken.

 

Louis Van Thillo had een fazant letterlijk tot moes geschoten, wat nergens voor nodig was. Daarna had hij, tot grote woede van de jachtopziener, op het struikgewas gemikt, ‘omdat hij daar geritsel had gehoord.’ Bijna had hij het hoofd van een van de bosarbeiders eraf geknald. Jacobs had de loop van zijn geweer omhoog geduwd, voor hij een tweede schot kon lossen. Daarna had hij het wapen uit zijn handen getrokken en het geweer gebroken. De schrijver had een hoogrode kleur gekregen, van affrontement.
‘Einde jacht!’ had Kamiel Jacobs geroepen.
Waarna hij fluks de ladder was afgedaald om tussen de bomen te gaan kijken of alles oké was met de mannen daar. Tot boven konden de jagers het gevloek en de verontwaardigde stemmen van de bosarbeiders horen. De jachtopziener had alle moeite gehad om hen tot bedaren te brengen. Op het hoogste platform hadden de anderen de schrijver verwijtend dan wel afkeurend aangekeken. Het was tenslotte zijn schuld dat er voortijdig een eind kwam aan de schietpret. Als een mokkend kind was ook hij naar beneden geklommen, niet om zich te gaan verontschuldigen, maar om in de jeep een sigaret te gaan roken.

 


Ze waren te vroeg terug aan de villa, de lunch was nog niet klaar. Om de tijd te doden wandelden ze naar de Paalheuvel, waar een grijze arduinen steen de grens tussen België en Nederland markeerde. Algauw liepen ze in groepjes van twee achter elkaar en knoopten de gesprekken aan die ze eigenlijk voor na het middageten gepland hadden.
Herman Moreels werd door de man van DCC aangesproken. Over de informatisering van justitie. Hij had tien jaar in de States gewoond en gewerkt en was nog maar een klein half jaar opnieuw in Brussel op post, zei hij, hij was zich nog aan het inwerken. Maar hij had toch goed begrepen dat de informatisering van justitie in België een pijnpunt was? Zoniet, of Herman Moreels hem dan wilde corrigeren. Moreels had enkel instemmend gegromd. Wat moest hij zeggen? Dat de informatisering van het gerecht een ramp was? Data Control Computers had daar ervaring mee, in de States en in Scandinavië, had Bastiaens gezegd. Zijn praatje klonk goed, had Moreels in zichzelf moeten toegeven.
‘Zullen we elkaar maar tutoyeren?’ stelde Cyriel Bastiaens voor, toen ze het keerpunt van de wandeling hadden bereikt. 
Moreels had Bastiaens duidelijk gemaakt dat hij weliswaar een hoge magistraat was, maar dat over de aankoop van informatica op een ander niveau werd beslist. Natuurlijk, had de ander zich gehaast om te zeggen, en natuurlijk wilde hij Moreels niet beïnvloeden. Maar een entree op het departement zou welkom zijn. Ze beloofden na de lunch visitekaartjes uit te wisselen. Het liberale Kamerlid sloot zich bij hen aan. Het gesprek nam een andere wending, waarmee de computerman geen uitstaans had. Bastiaens gebruikte een dringende plas als excuus om een ander groepje op te zoeken. Moreels en de volksvertegenwoordiger raakten in een moeizaam gesprek over benoemingen verwikkeld. Het ging niet zoals de politicus wilde; hij vroeg te veel, zei Moreels die in de Hoge Raad voor de Justitie zitting had.

 

 

Toen het rieten dak van de villa tussen de boomtoppen zichtbaar werd, spraken ze af om de discussie op een avond in de week voort te zetten. Ze kwamen als eersten aan. De volksvertegenwoordiger stapte naar zijn auto om ander schoeisel aan te trekken. Herman Moreels beklom de trapjes van het bordes, keek om en zag de in druk gesprek verwikkelde groepjes naderbij komen. Waarover zouden ze zo geanimeerd lopen te praten? De directeur van de omroep en de man van Het Laatste Nieuws hadden het wellicht over de te kiezen nieuwe grote baas voor de VRT. Guido van Intermeubel wilde waarschijnlijk zijn nieuwe collectie kantooreilanden slijten aan de kabinetschef van de schepen. Cyriel Bastiaens lachte vrolijk met wat de jachtopziener hem vertelde. Die twee schoten goed met elkaar op. En Christiaan Van Tilborg, tenslotte, sloot op grote afstand de rij. Hij zat met de schrijver van thrillers opgezadeld. De gastheer was nog te ver om iets uit zijn gelaatsuitdrukking op te kunnen maken. Zo te zien was het enkel de schrijver die sprak, zijn redenering met heftige armgebaren beklemtonend. Hoe was het mogelijk dat hij in enkele uren tijd zo’n bloedhekel aan de auteur had gekregen, vroeg Herman Moreels zich af.

 

Na de lunch nam Christiaan Van Tilborg hem bij de arm en leidde hem naar een hoek van de kamer, als om hem het geschilderde portret van een van zijn voorvaderen te tonen. Moreels wist dat dit onderonsje eraan zat te komen. Het was een van de redenen waarom hij net vandaag was uitgenodigd. Niet de enige reden, natuurlijk, ze kenden elkaar al lang en ze respecteerden elkaar.
‘Herman, ik heb nu al maanden niets meer over die klacht vernomen, weet gij op welk niveau die nu zit, als hij nog bestaat tenminste.’
Er was, na de dood van de peetvader, ruzie ontstaan tussen de zonen/erfgenamen. Een van zijn ooms had klacht ingediend tegen zijn neef, want de broer met wie hij in onmin lag was inmiddels overleden. Het ging hem over de verdeling. De klager zegde bewijzen te hebben dat een deel van de erfenis via slinkse wegen aan de verdeling onttrokken was. Er waren dure advocaten mee gemoeid, beide partijen konden het zich veroorloven.
‘Ik geloof dat het parket op het punt staat de zaak te seponeren. Enfin, dat is wat de substituut mij donderdag vertelde. Ik zal het opvolgen. Maar ge moet wat geduld oefenen. Ik heb een assisenzaak, dat hebt ge misschien gelezen. Daar ben ik toch wel een dikke week van ’s morgens tot ’s avonds mee zoet.’
‘Dan zien we u nog eens op tv.’
‘Zwijg mij ervan. Als het aan mij lag, kwam de televisie niet binnen in de gerechtszaal. Maar Lamarque wil aan zijn laatste assisenzaak een souvenir, een beeldverslag in het journaal overhouden en als het kan op alle zenders.’

 


Herman Moreels zag vanuit zijn ooghoeken de schrijver in hun richting opschuiven. Hij had al veel gedronken tijdens het eten, het was Moreels opgevallen, en nu had hij een glas én een fles cognac in zijn handen.
‘Christiaan, ik heb me niet met je gasten te bemoeien,’ zei Moreels op zachte toon, ‘maar waar heb je die kerel opgeduikeld? Ik moet zeggen dat ik wat verbaasd ben. Hij heeft werkelijk geen stijl.’
Van Tilborg draaide met de ogen.
‘Hij heeft op een of andere manier het hoofd van ons vader zaliger zot gestookt met zijn plan om van De Putse Moer de literaire thuis van een soort Vlaamse Sherlock Holmes te maken. Ik zou het mij niet hebben aangetrokken als hij geen brief van ons vader kon voorleggen waarin hij vraagt om alle medewerking aan het project te verlenen. De brief is echt, daar bestaat geen twijfel over, en hij is een maand voor zijn doodgeschreven, toen ons vader nog goed bij zinnen was.’
‘Pas op, daar komt hij?’ waarschuwde Moreels.
Pas na drie kwartier kon de advocaat-generaal zich losmaken uit het kleverige gezelschap van Louis Van Thillo, thrillerschrijver met een klein maar trouw publiek. Christiaan Van Tilborg had zich al na vijf minuten met een grijns geëxcuseerd, hij moest zijn plichten als gastheer vervullen, nietwaar. Moreels had als losprijs een kopie van zijn akte van beschuldiging in de zaak van Gommaar Meganck moeten beloven, een belofte die hij overigens niet van plan was na te komen. En de belofte om Van Thillo persoonlijk in het oude en het nieuwe gerechtshof rond te leiden. Een taak die hij met veel plezier naar de persrechter door zou schuiven.
Om vier uur ’s middags reed hij enigszins misnoegd in Stabroek de A 12 richting Antwerpen op. Hij moest zich op een of andere manier afreageren, en waar kon dat beter dan in de discrete homoclub waar hij lid van was.

 


 

Commentaar

Naam*
URL
Email*
Email adres wordt niet gepubliceerd!
Onthoud mij
Commentaar*

CAPTCHA
Geef de bovenstaande cijfers in