zaterdag 26 juni 2010

Assisen - hoofdstuk 17 (deel I)

17. Schieten op tamme fazanten

 

Het gezelschap stond op het bordes van de villa koffie uit thermosflessen te drinken toen Herman Moreels arriveerde. Er gingen ook zakflessen rond, zag hij. Het was nog niet helemaal licht. Hij toeterde en zwaaide ter beantwoording van de jolige verwelkomingkreten, reed naar de zijkant van de villa en parkeerde zijn BMW op het laatste vrije plaatsje van de met grijs grind aangelegde parking. Er stonden nog drie BMW’s, van een hogere reeks weliswaar, twee klassieke Mercedessen, een hagelwitte Range Rover, een discrete grijze Jaguar, een ordinaire Opel Vectra en de Lamborghini van de gastheer. Hij draaide de contactsleutel om, net toen het sein voor het radionieuws van acht uur weerklonk.

 


Christiaan Van Tilborg kwam hem tegemoet. Zelfs in zijn jagersoutfit zag hij eruit als een dandy. Zou dat bestaan, op maat gemaakte jagerskledij?
Ze schudden elkaar de hand en Christiaan sloeg hem jongensachtig op de schouders.
‘Welkom, Herman, je bent de laatste.’
‘Ik ben toch niet te laat, mag ik hopen?’
Ten laatste om acht uur vertrekken we, had Van Tilborg hem eerder op de week aan de telefoon gezegd.
‘Absoluut niet. Maar je weet hoe ze zijn,’ zei Van Tilborg. Hij draaide zich naar het luidruchtige gezelschap, maakte het universele drinkgebaar en knipoogde.

 


Het waren allemaal mannen en Moreels kende de meesten onder hen. De kabinetschef van de liberale schepen van Antwerpen, de adjunct-hoofdredacteur van een populaire krant, een arrondissementscommissaris, een Kamerlid van Open VLD, een directeur van de openbare omroep, een bedrijfsleider. Allemaal droegen ze laarzen en waterbestendige kledij, in schutkleuren. Hij schudde uitgestoken handen, klopte ook op schouders, duwde met zijn wijsvinger plagend in uitpuilende buiken.
‘Mag ik je voorstellen aan de gasten die je nog niet kent’, nam Van Tilborg de honneurs waar,’ Cyriel Bastiaens van DCC, een Amerikaans computerbedrijf, Herman Moreels, advocaat-generaal bij het Antwerpse Hof van Beroep.’
Moreels schudde de hand van Bastiaens. Het was een stevige handdruk, dat beviel hem. De man had staalblauwe ogen en een heldere blik. En geen drankadem. Wat niet gezegd kon worden van de andere onbekende aan wie hij werd voorgesteld.
‘Louis Van Thillo, schrijver van misdaadromans.’
Een rood , kaal wordend hoofd, een slappe, vochtige hand en ogen die naar een punt achter hem keken. Moreels voelde meteen antipathie voor de man.
‘Louis Van Thillo gaat een thrillerreeks schrijven waarin onze familievilla een belangrijke rol speelt,’ verduidelijkte de gastheer diens aanwezigheid, ‘hij wil zoveel als mogelijk de sfeer van de Putse Moer opsnuiven.’
‘Aangename kennismaking, mijnheer de advocaat-generaal,’ zei de auteur van wie Moreels nog nooit had gehoord, ‘het is mij een geweldig genoegen u te mogen ontmoeten. De werking van het gerecht boeit mij uitermate, weet u. Mag ik u straks wat inside informatie vragen over de zaak van de eenbenige moordenaar? Het assisenproces begint toch morgen hé? Ik heb er al veel over gelezen. De kwestie fascineert mij. Misschien zit er wel een boek in.’
‘We zullen zien. Eerst de jacht,’ maakte Herman Moreels er zich vanaf.

 


‘Wat een slijmbal,’ dacht hij er in stilte bij.
Hij vroeg zich af hoe de schrijver erin geslaagd was zich door Christiaan Van Tilborg uit te laten nodigen. De jonge erfgenaam van het uitgeversgeslacht was normaliter kieskeurig met invitaties. Bovendien kende de vervelende gast de ongeschreven regels van dit soort ontmoetingen niet. Je vroeg nooit zomaar iets op de man af. Wie een verzoek, een vraag of een voorstel had voor een andere genodigde, kaartte dat terloops, haast onverschillig aan, en zeker niet voordat de verplichtingen tegenover de gastheer waren vervuld.
‘Vrienden,’ verhief op dat ogenblik Van Tilborg zijn stem, ‘graag uw aandacht. Kamiel zal u zo dadelijk binnenshuis een jachtgeweer overhandigen.’
Hij wees naar de oudere man die in het deurgat was verschenen en van wie Herman Moreels wist dat hij al een leven lang de jachtopziener annex conciërge van het domein was.
‘Om ongelukken te vermijden,’ grapte de gastheer, ‘worden de kardoezen pas uitgedeeld als we aan de uitkijktoren zijn aangekomen.
Er klonk gelach. Met overdreven galante gebaren liet de kabinetschef de directeur voorgaan, die op zijn beurt door de bedrijfsleider werd uitgenodigd om alstublieft toch voor hem naar binnen te gaan, in de kamer met de afmetingen van een zaal, waar een vuur brandde, waar opgezette vossen, hazen en eekhoorns op donkere meubels prijkten, waar everzwijn- en hertenkoppen de muren sierden en waar Kamiel aan de wapenkast jachtgeweren uitdeelde.
‘Hebt u al geschoten?’ vroeg hij aan de twee nieuwkomers.
‘Nog nooit,’ zei de man die Bastiaens heette.
‘Op de kermis,’ antwoordde de schrijver.
‘Wilt u dan allebei in mijn buurt blijven en mijn instructies stipt opvolgen?’

 


Kamiel Jacobs, want zo heette de jachtopziener voluit, had al vaker uit dit vaatje getapt. Het was zijn uitdrukkelijke taak om ongelukken te voorkomen. Het zou niet de eerste keer zijn dat hij onervaren jagers die zijn orders aan hun laars lapten – uit arrogantie of uit overmoed – het geweer afpakte en ze in de jeep op het einde van de jacht liet wachten. Een lot waarin ze zich bedremmeld of rood van kwaadheid schikten. Tijdens de jacht was Kamiels wil wet.
‘Is iedereen gesteld? Dan kunnen we vertrekken.’
Er kwamen, alsof Van Tilborg ergens op een knopje had geduwd, twee oude legerjeeps voorrijden. De chauffeurs, twee bosarbeiders in dienst van de familie Van Tilborg, lieten de motor draaien en hervatten buiten het gezicht van de gasten hun zondagse bezigheden, wat die ook zijn mochten.
‘Herman, Ludo, Dirk en Guido bij mij, Cyriel, Louis, Piet, Jean en Fons bij Kamiel in de jeep.’

 


Het was een grauwe ochtend. De motregen deed de scheidingslijn tussen de vaste grond en het grote ven voor de villa vervagen. De gasten wurmden zich in de krap bemeten ruimte van de jeeps en legden de geweren aan hun voeten. Christiaan Van Tilborg reed voorop. Hij volgde nog een goede honderd meter de met rododendrons afgeboorde kasseiweg die van de Putse Steenweg naar de villa met het rieten dak voerde en sloeg dan rechtsaf een landweg in. De twee jeeps hobbelden en schommelden door modderige sporen en diepe plassen tussen muren van sombere dennen. De passagiers op de achterbank moesten zich aan elkaar vastgrijpen om niet uit de jeep te vallen, want goed sluiten hadden de achterportieren nooit gedaan. Herman Moreels was blij dat de schrijver niet naast hem, bil aan bil, op de achterbank zat. Al vond hij de hand van het Kamerlid op zijn dij ook niet echt aangenaam. Lang duurde de trip gelukkig niet. Het familiedomein van de Van Tilborgs mocht dan meer dan zeshonderd hectares groot zijn, je kon er maar met moeite in verdwalen. De jeeps stopten bij een open plek in het bos. De jagers kropen moeizaam uit de voertuigen en rekten hun ledematen. Iemand geeuwde. Iemand liet goed hoorbaar een scheet.

 


Christiaan Van Tilborg wenkte iedereen bij zich.
‘Vanaf nu wordt er alleen gesproken als dat nodig is, en ook vanaf nu geeft Kamiel de orders. Als iedereen die opvolgt, hebben we een aangename jacht voor de boeg.’
‘Heren, wilt ge mij volgen?’
Kamiel Jacobs wees naar de houten ladder die steil naar de top van een boom leek te leiden. Herman Moreels wist beter. De arbeiders van Van Tilborg hadden hier twee jaar geleden een houten uitkijktoren gebouwd, die qua hoogte en stabiliteit amper moest onderdoen voor de ijzeren constructie in het nabijgelegen natuurreservaat. Hij was de eerste die de jachtopziener achterna klom. Iets te snel. Er viel modder naar beneden, in zijn haar en in zijn rechteroog. Op het eerste platform schudde hij zich als een natte hond. Maar mopperen deed hij niet. Als eerste klom Moreels naar het hoogste platform. De regen had opgehouden. Door een scheur in de wolken scheen een waterig zonnetje. Er was plaats genoeg voor tien, op de hoogste verdieping van de uitkijktoren. Onder de afkeurende blikken van Kamiel Jacobs gingen de zakflessen drank nog eens rond. Christiaan Van Tilborg wreef de hals van de fles zorgvuldig schoon met zijn zakdoek, voor hij een slokje nam. Herman Moreels bedankte, hij was vies van andermans mondsappen, ook al wist hij dat alcohol ontsmet. Hij dronk zelden sterke drank en al zeker niet zo vroeg op de dag. Kamiel Jacobs deelde patronen uit, behalve aan de twee nieuwelingen.
‘U heren komt laatst aan de beurt.’
De man van het computerbedrijf knikte, een en al begrip, de thrillerschrijver keek verongelijkt. Er klonk een geklik en gekraak van geweren die gebroken werden en opnieuw dicht geklapt. Men zocht steun op de leuning van het platform, men boog zich over de loop van zijn geweer, men keek in het vizier.

 


Even verderop keek een van de twee bosarbeiders door zijn verrekijker naar het jachtgezelschap op de uitkijktoren.
‘Doe maar,’ zei hij tot zijn collega.
De man hurkte bij een soort kooi , trok een pin uit een sluiting, en opende de deur van de groot uitgevallen kevie. Behoedzaam staken enkele fazanten de kop buiten. Trokken die weer in. De man sloeg met de vlakke hand op het dak van de kooi. Verschrikt en misbaar makend, rende een half dozijn fazanten naar buiten, in het daglicht. Niet ver, evenwel. Al na enkele meters begonnen de tamme vogels in het mos te pikken.
‘Moet ik ze opjagen?’ vroeg de tweede arbeider aan de eerste, die blijkbaar de leiding had.
‘Ik denk dat ze de maïs al gevonden hebben, Gust, laat ze maar doen.’
‘Moeten ze niet vliegen?’
‘Ze zijn bijna aan de open plek. Laat de heren deze eerst maar afknallen. Kamiel heeft gezegd om het op ’t gemakske te doen.’
 

Commentaar

Naam*
URL
Email*
Email adres wordt niet gepubliceerd!
Onthoud mij
Commentaar*

CAPTCHA
Geef de bovenstaande cijfers in