OP een ver eiland (4)
Onkruid vergaat niet
Ik had een plan in mijn hoofd, een soepele weekindeling, voor mijn verblijf hier: zoveel dagen schrijven, zoveel dagen wandelen en zwemmen, en af en toe wat in de tuin werken. Nu is ‘tuin’ misschien een al te bescheiden omschrijving voor Finca La Higuera, zoals de doening hier heet. Net geen 17.000 vierkante meter groot, waarvan – gelukkig maar – een goeie hectare bush, wildernis, brousse. Blijft een ferme lap grond, in elf terrassen verdeeld, en begroeid met wijnranken, vijgen-, amandel- en perzikbomen. Met citroen- en met gewone geraniums, met paardenbloemstruiken met calcosas. Met tientallen soorten vetplanten, met palmen, met agaven en cactussen. En met onkruid.

Het is lente op het eiland. Het heeft veel geregend, in februari zelfs de hele maand. Dat was geen regen meer, zeggen ze hier, dat was de zondvloed. De regen viel niet uit de lucht maar attakeerde horizontaal. Je zag het verschil tussen zee en land niet meer. Normaal regent het in april niet meer. Maar vanmorgen vroeg, het uur van de mandrugada, viel er een lange en malse bui. Mijn was hing nog aan de draad, was mijn eerste gedachte. En de tweede was dat het weer hier, sinds mijn aankomst begin maart, nog geen twee dagen na elkaar hetzelfde geweest is. Enfin, alles staat in bloei, en het onkruid nog het meest. Laat toch groeien, hoor ik u al zeggen, er zijn ergere zaken in de wereld dan wat onkruid in de tuin.

Ik moet u een weinig corrigeren. Het eiland is een vulkaan. De regen die valt, blijft niet in plassen of poelen staan maar sijpelt meteen door naar de diepte. Water is dus schaars. De mens pompt het op, van honderden meters diep als het moet. No problem. De plant probeert het regenwater via zijn wortels op te nemen. Het is een moordende concurrentie, daar onder de grond, een survival of the fittiest, een strijd om het water tussen onkruid en ‘nuttige planten’. En als ik niet hier zou zijn, zou de concurrentieslag met vlag en wimpel door het onkruid gewonnen worden. Zou het onkruid de wijnranken en de vijgenbomen overwoekeren. En dus houd ik mij een dag of drie, vier in de week bezig met het bestrijden – lees uittrekken – van onkruid in plaats van met schrijven. Bestrijdingsmiddelen zijn aan ons niet besteed, u kent ons. Alle onkruid verwijderen is onbegonnen werk. Onkruid vergaat niet. Je kunt enkel proberen de groei onder controle te houden. En dus heb ik mijn vijanden in vier categorieën ingedeeld: de varen, el dedero, het slangenkruid en het kleefkruid.

Vroeger, toen ik nog een vastelander was, dacht ik dat varens in de schaduw van bomen groeiden, in de Ardennen, in het Peerdsbos, zelfs in de Kalmthoutse Hei. Op mijn eiland groeien ze in de blakende zon. Nestelen ze zich naast de wijnranken om mee te profiteren van het noeste werk van de wateropzuiging. Varens zijn vals: ze laten zich gewillig (meestal toch) uit de grond trekken, maar voor iedere varen die sneuvelt, komen er twee nieuwe aan de oppervlakte. Onder de grond lachen ze mij uit. El dedero , een luzerne-achtige, is hét onkruid van het eiland. Het is geliefd bij de geiten en rond deze tijd draagt het schattige mauve bloempjes, bij wijze van maskerade. Als je het ding ongemoeid laat, ontwikkelt het wortels van zestig, zeventig centimeters lang, die je soms moet uitgraven, want ze laten zich bij god niet goedschiks verwijderen en bij bruut geweld scheuren ze gewoon af. En schieten enkele dagen later opnieuw op. Het kleefkruid vermomt zich rond deze tijd ook met alleraardigste bloempjes. Ik ben een sierplant, roept het mij toe. Maar ondertussen overwoekert het al wat op zijn weg komt. Het slangenkruid is tweeslachtig: wanneer het in picon, in lavagruis groeit, laat het zich makkelijk verwijderen, maar waar het woekert in rotsgrond of in stenen muurtjes, houden zijn wortels stand en houdt de onkruidbestrijder slechts het bovengrondse groen in zijn handen. Een dag later schiet het al opnieuw op. Zoals de varen. Zoals de dedero.

Omdat ik de onkruidplaag op mijn eentje niet meester kon worden, heb ik hulp gezocht. Geen psychiatrische hulp, al begon mijn strijd tegen la mala hierba stilaan te ontaarden in een manie, een obsessie, een heilige missie, een nachtmerrie. A. staat mij nu twee dagen in de week bij. Ze is een Brusseles, kwam ooit met man en kinderen in een zeilboot op het eiland terecht en zit nu wat in de shit. Ze is mijn bezoldigde tuinvrouw. Met rustige precisie en stelselmatigheid plukt ze terras na terras schoon. Ik sta haar bij, voor zolang mijn rug het toelaat. Ik bouw composthopen met paletten die her en der op slordige stapels liggen op het eiland, ten behoeve van de tuinierende of knutselende bevolking. Onderwijl vertelt ze mij over haar kadeeën, die echte eilandbewoners zijn geworden, en over alle rare zeden en gewoonten van dit stipje in de grote oceaan. Ze is een plantrekker, A., een survivor.

We zijn nu aan terras 7 bezig. Het werk schiet goed op. De klaprozen laten we staan, omdat ze zo mooi zijn. De wilde venkel meestal ook, omdat die niet uit de grond te krijgen is. Het is ook zichtbaar, al dat werk, wat niet van psychologisch belang gespeend is, als ik mij zo krom mag uitdrukken. Maar einde mei loopt mijn verblijf en het emplooi van A. ten einde. Ik kom pas terug in september. Normaliter is er dan al drie maanden lang geen druppel water meer uit de hemel gevallen. Is alles wat zich niet op de droogte heeft (kunnen) voorzien, verdord of verbrand door de zon. Maar ik moet het nog zien. Want nogmaals: onkruid vergaat niet.
LvD
Commentaar
1. Eeckhout+Ann zegt ...
Prachtige foto's Louis ;-)
2. Hector zegt ...
Louis,
op uw leeftijd !
Ann zal verdrietig zijn ...
21/04/2010