Het is niet waar dat alles terugkomt
Als een mens oud genoeg is voor herinneringen
Ik had een afspraak in Antwerpen, maar exact uur en precieze plaats hingen af van het tijdsschema van de "tegenpartij", en dus had ik volop de tijd om nog eens rond te kuieren op het Antwerpse Zuid.
Lang, lang geleden ging ik daar naar de hogeschool, werd er smoorverliefd (op mijn lief, op de vrijheid, op Antwerpen) en bleef er plakken. We gingen samenwonen, in de Emiel Banningstraat. Eerst boven Coiffure Henri, later op een appartement in een prachtig hoekpand. Het ene kostte vijftienhonderd frank per maand, het andere (bij aanvang) vierduizend, als mijn geheugen mij niet bedriegt. Het Antwerpse Zuid was een verpauperde buurt, toen, die haar glorie en glans was kwijtgespeeld na de sloop van het Zuidstation (voor de aanleg van de Ring) en de afbraak van de Hippodroom. Mensen kijken mij aan alsof ik van Mars kom, wanneer ik vertel dat er recht tegenover het majestatische Museum voor Schone Kunsten een prachtige paardenrenbaan was gelegen. Toen de hippodroom gesloopt was, bleek een andere bestemming niet meteen voorhanden. Jarenlang had Antwerpen daar een lelijk gat in zijn gebit. Toen het Rubensjaar eraan kwam, werd de schande van het braakliggende terrein vol vuilnis en ongedierte door een keurige schutting aan het oog onttrokken.
Maar op het Zuid woonden dus gewone sloebers, studenten zonder veel geld en Turken. Alleen de gevels van de huizen, de balkons, de afmetingen van de ramen en de hoogte van de plafonds verraadden nog dat het er ooit een deftige buurt was geweest. De tram reed niet verder meer dan het Lambermontplein en draaide daar kriepend rond. Waar nu café Hopper staat, was een echt volkscafé gevestigd, waar ik ooit onder een tafel ben gekropen omdat er met glazen en flessen werd gegooid. Waar nu café Patine is, aan de overkant, lag een deftig etablissement, waar gepoederde dames en amechtige heertjes de namiddag doorbrachten. Dat café sloot om acht uur 's avonds. Waar nu De Nieuwe Linde een baken is voor het hippe volk van het Zuid, was een vies cafétje met een Spaanse naam waar een motorclub thuis was en waar ik ooit - op een zondagmorgen - een dronken motard op zijn machine zag klimmen en de deur van het café aan spaanders rijden. Een weddenschap, vermoed ik.
En toen er een keertje een Marokaans of Turks jongetje onder een auto liep in de Emiel Banningstraat, kreeg een autochtoon leeftijdsgenootje (de woorden autochtoon of allochtoon bestonden eigenlijk nog niet) een draai rond zijn oren van zijn vader. Twee eigenlijk. De eerste toen hij - luid genoeg dat iedereen het kon horen - zegde dat "er weeral een bruine minder was". De tweede toen hij met zijn hand tegen zijn rode wang en met tranen in zijn ogen tegen zijn pa zegde: 'Allez va, gij zegt dat toch ook altijd!?"
Ik ben al lang geleden, van in 1985, weggetrokken van het Zuid. Maar ik kom er nog graag. Het is geen volksbuurt meer. Kapitaalkrachtiger volk heeft de huizen opgekocht en de autochtonen de huur opgezegd. De Turken zijn gebleven. Die konden eind jaren zeventig hun huis voor een prikje kopen en stuurden tien, vijftien jaar later de propere mijnheren van de immobiliënkantoren wandelen. Daardoor, door dat acute ruimtegebrek, sloeg de waan dat je op het Zuid moest wonen om mee te tellen over naar de overkant van de Amerikalei, waar de huizen kleiner en minder mooi zijn. Annemie Peeters woont daar. En Luc Huybrechts van Zuiderzinnen. En nog wat acteurs en actrices van wie ik de namen niet kan onthouden.
Het originele Zuid is veranders in Boetikistan. Je kan er kostuums en avondjurken op maat laten maken. Je kan er gaan eten in een Mangerie. Geert Hoste woont er en Marcel Vantilt. Het Lambermontplein verandert twee of drie keer per jaar in Lambermontmartre, want dan is er een kunstmarkt. Overal hangen de bordjes "Zonder Haat Straat". Maar de kinderen gaan elders naar school, want in de schooltjes vlakbij is tachtig procent van de kinderen van "vreemde komaf".
Een keer per jaar is het Zuid nog het Zuid: wanneer de Sinksenfoor zijn tenten opslaat en alle marginalen van de stad (in deze een geuzennaam) het geld van de maand daarop komen opdoen aan de botsauto's, de cakewalk, het spiegelpaleis en smoutebollen. Benieuwd hoe lang de foor daar nog wordt getolereerd. Want het lawaai, mijnheer, het lawaai is wééééken aan een stuk niet te harden, en we hebben nochtans driedubbelglas in onze loft op de kaai.
Commentaar
1. Jaak+Misotten zegt ...
Een schoon stilleven...