Assisen - hoofdstuk 16 (deel II)
Havenmagazijn Sint-Aldegonde
Met een bezwaard gemoed reed Bart Loos naar Antwerpen. Het was schijtweer. Het overladen vrachtverkeer op de E17 had diepe sporen in het asfalt getrokken, die door de felle regen met water gevuld waren. De Range Rover trok onwillig en met slippende banden van links naar rechts. Bart Luyckx vervloekte zowel de aannemer die het asfalt had gelegd als de Poolse en Letse chauffeurs met hun te zware trucks, manoeuvreerde zijn auto uit het dubbele spoor naar de linker rijstrook en gaf gas.
Zo was hij in gedachten verzonken dat hij niet eens de flits van de Multanova zag, die stond opgesteld voor de motorkap van een anonieme Opel Astra in een inham van de autosnelweg. Hij reed 148 km per uur, een zware overtreding. Nog geen minuut later werd hij een tweede keer geflitst, bij het inrijden van de Kennedytunnel. Te laat besefte hij dat de maximumsnelheid 100 was. Woedend op zichzelf sloeg hij met zijn rechterhand hard op zijn stuur, kalmeerde meteen, geschrokken. Hij zocht behoedzaam de rechter rijstrook op en nam meteen na de tunnel de afrit Antwerpen Centrum. Aan de Singel sloeg hij linksaf, passeerde het Vlinderpaleis en het voormalige koninkrijk van de Antwerpse partykoning Frank Verstraete, sloeg rechtsaf de Vlaamse Kaai op.
Parkeerplaats op overschot op zondag. Hij besloot de auto buiten te laten staan en niet de beveiligde ondergrondse parking van zijn kantoor te gebruiken. Toen hij in zijn sleutelbos de platte sleutel voor de gepantserde voordeur zocht, ebde zijn irritatie en zijn boosheid weg. Iedere keer als hij binnenkwam, prees hij de dag, bijna twintig jaar geleden, dat zijn oog op het TE KOOP- bord was gevallen. Hij was nog een jonge advocaat, toen, en net voor zichzelf begonnen, na een stage bij meester Calewaert. Hij huurde voor veel te veel geld een bel-etage in de Mertens en Torfsstraat, vlakbij het oude gerechtsgebouw. Omdat hij de huur amper kon betalen, zocht hij een pand dat beter bij zijn inkomen paste en wandelde hij vaak rond op het Antwerpse Zuid.
Hij was in een hondendrol op de stoep van de Vlaamse Kaai gestapt, die bewuste dag, en toen hij vloekend zijn Italiaanse schoenen aan de stoeprand schoon probeerde te vegen, had hij het bord gezien. Het was een oud havenmagazijn dat te koop stond, gebouwd in de tijd dat er nog schepen lagen aangemeerd in de dokken tussen de Waalse en de Vlaamse Kaai. Bart Loos had zich door een jonge maar verwaande snuiter van een immobiliënkantoor laten rondleiden in het pand. Hij moest er zelf om lachen nu. Waarschijnlijk was hij in die tijd een even jonge en verwaande snuiter geweest als het jongmens van James, Woods & Calford, dat overduidelijk liever villa’s in ’s Gravenwezel wilde slijten dan verwaarloosde havenmagazijnen waar ratten woonden. Het magazijn had een monumentale poort die, voorbij de voorbouw, uitgaf op een ruime binnenkoer met scheve kasseien, bevlekt met duivenstront. Er stond nog een platte wagen geparkeerd. En een motorfiets op platte banden. Traag wiegden door een vederlichte bries de haken van dikke kettingen in de katrolkapel tegen de gevel van de achterbouw. Uit half vergane houten deuren vlogen duiven op. Bart Loos was meteen verliefd geworden op het vervallen pand. Had zijn mooie pak geruïneerd aan spinnenwebben en aan met vet ingesmeerde machinerieën die in de halfdonkere ruimtes stonden opgesteld. Was uitgegleden op de van olie glibberige en smerige stenen vloeren.
“Afbreken, voor iets anders deugt dat hier niet”, had de immobiliënman hem ongevraagd toevertrouwd. Hij had met de sleutels gerammeld om duidelijk te maken dat wat hem betreft het bezoek afgelopen was. Buiten was de Sinksenfoor aan het warmdraaien voor een drukke avond. Het was juni 1987 geweest.
In augustus had hij bij de notaris zijn handtekening gezet onder het contract dat hem eigenaar maakte. Tweeëneenhalf miljoen oude Belgische frank had het magazijn hem gekost. Een schijntje. Een gouden zaak. Een jaar later werd het Antwerpse Zuid plots hip en schoten de prijzen de hoogte in. Maar het hard Bart Loos toch veel moeite gekost om het bedrag bij zijn eigen familie en bij de ouders van zijn aanstaande bijeen had geschooid. Het huwelijk had geen vijf jaar standgehouden. Altijd was Bart Loos aan het werk geweest om zijn kantoor uit te bouwen. Nog een geluk dat er geen kinderen van gekomen waren, in een verloren moment.
“Pakhuis Sint-Aldegonde” heette zijn aankoop, gebouwd in 1905.
Een aannemer uit de Kempen wiens zoon hij op briljante wijze (zo schreven de kranten) had verdedigd in zijn tweede assisenzaak (de eerste had hij eerloos verloren) , had voor een zacht prijsje het pakhuis verbouwd tot een ruim kantoor met een binnentuin. Toen hij de aannemer wilde uitnodigen voor de feestelijke opening van Loos, Verwerft &partners, bleek dat de zoon aan een overdosis gestorven was. Er waren ook harddrugs in het spel geweest in de assisenzaak in dewelke Loos zijn cliënt had kunnen vrijpleiten van moord. De cliënt van de meester Calewaert, zijn oude stagemeester, was de dans niet ontsprongen en had 25 jaar gekregen.
Bart Loos ontwaakte uit zijn overpeinzingen en stelde tot zijn eigen verrassing vast dat hij aan zijn bureau zat en dat het al vier uur in de namiddag was. Hij had zitten dagdromen. Dat overkwam hem niet vaak. Er lagen juridische werken opengeslagen voor zijn neus, hij had iets op een blad papier genoteerd maar kon zijn eigen geschrift niet lezen. Twee uur moest hij hier al binnen zitten. Maar hij kon zich niets herinneren van wat hij tijdens die honderdtwintig minuten gedaan had. Het kon geen toeval zijn, bedacht hij, dat die zaak uit 1989 gelijkenis vertoonde met de zaak van de eenbenige Gommaar Meganck. De aannemerszoon had zichzelf heroïne ingespoten op het krot dat hij deelde met zijn al even verslaafde vriendin en een kameraad die hij kende uit de ontwenningskliniek waaruit hij was gaan lopen. Iemand had de jonge vrouw met messteken om het leven gebracht. Alles wees in de richting van de zoon, die zich van de hele zaak niets kon herinneren.
Hij sloeg met zijn vlakke hand op het blad van zijn antieke houten bureau. Niet uit frustratie, deze keer, maar omdat hij zich op onverklaarbare wijze plots verkwikt en vol energie voelde. In een bloemenwinkel in de Verschansingstraat kocht hij vijfentwintig rode rozen. Onderweg naar Steendorp nam hij zich voor om Gommaar Meganck morgen nog voor het begin van de zitting in de cellen in de kelder van het oude gerechtsgebouw te gaan opzoeken. En hem voor de keuze te plaatsen. Dat de auto waarmee Meganck naar de Magerenhoek was gereden verdwenen was, daar was vast wel een uitleg voor te vinden. Waar het kunstbeen van Meganck gebleven was, dat zou de rode draad in zijn strategie blijven. Op voorwaarde dat zijn cliënt hem nu eindelijk de waarheid zou willen vertellen. Zijn intuïtie zei hem dat Meganck de verslaafde Bieke wel degelijk had gewurgd en daarna een hartaanval had gekregen. Als Meganck bij zijn versie bleef, zou hij aankondigen dat hij zich als verdediger terugtrok. Dat zou nogal spel geven, op het laatste proces van Lamarque. Maar, zou hij Meganck voorhouden, er moest onvermijdelijk nog iemand in huis zijn geweest, iemand die misschien alles gezien had, of tenminste toch na de feiten het been van Meganck had losgemaakt en meegenomen. Want dat kunstbenen uit zichzelf op de loop gingen, was een thesis die zelfs Jef Vermassen niet zou durven verdedigen.
copyright Louis van Dievel
Commentaar
1. Eeckhout+Ann zegt ...
Uw laatste zin Louis is subliem :-)