zondag 17 januari 2010

Assisen - hoofdstuk 14

 

 

14. Maria blijft niet bij de pakken zitten

 

‘Jos, wilt ge op een stoel gaan zitten in plaats van op de vensterbank? Er staat nog maar just een nieuwe ruit in. En subiet valt de plant nog omver.’
De aangesproken Jos reageerde niet. Hij bleef in zichzelf mompelen, begeleidde zijn alleenspraak met een mimiek die vooral verbazing en onbegrip uitdrukte en met bescheiden handgebaren. Misschien had er ooit wel eens iemand gevraagd wat er op zijn lever lag – ‘Wat zit gij daar toch in uw eigen te moemelen Jos?’- maar dat was in ieder geval al lang geleden. De andere caféklanten keken eens verstrooid in de richting van Jos maar bewogen niet. Maria Van de Casteele zuchtte  luid en diep en kwam vanachter de toog vandaan. Ze legde haar arm op de schouder van Jos en duwde hem met zachte dwang op een stoel bij een wankel tafeltje. Maria nam een bierviltje, legde het in de rechterhand van Jos, vouwde zijn vingers bijeen en wees naar de te korte tafelpoot. Gewillig maar aldoor mompelend boog Jos zich voorover en schoof het kaartje onder de poot. Maria wikte de tafel, gromde tevreden, veegde wat mastiek van de vensterbank die door de glazenmaker was achtergelaten en verschoof de pot met vrouwentongen naar het midden.

Ze keerde terug naar haar plek achter de toog, tapte een halve pint, dronk die leeg, tapte nog een pint – een volle nu – en maande de dichtstbijzijnde tooghanger, luisterend naar de naam Roger, aan om die voor de neus van Jos te zetten. Roger veinsde dat hij het glas zelf wilde uitdrinken, lachte om zijn eigen grapje, en zette de pint tussen de bevende handen van Jos.
‘Van Maria. Ik denk dat ze verliefd is op u, Jos. Gelukzak!’De handen van Jos omknelden het koele glas en kwamen tot rust. Hij nipte van het bier. Er bleef schuim aan het puntje van zijn neus hangen. Heel even lichtten zijn ogen op in zijn verduurde gezicht; twee, drie seconden misschien. Maar dan keerde hij zich weer naar zijn binnenkant en bestond Maria, bestond café ’t Penseeltje, bestond de wereld niet meer, enkel nog de man, de vrouw, het kind, de hond, de kat, de god met wie hij, zonder boos te worden, aldoor van mening verschilde.

 


‘Nee Charel, vandaag komt ge er niet in, en morgen ook niet. Probeert de maandag nog eens, misschien ben ik tegen dan niet meer kwaad op u.’
De man die nog de deurknop van de cafédeur in de hand had, hield zijn pas in.
‘Allez, Maria, ik heb toch betaald voor die nieuwe ruit? Ik heb toch gezegd dat ik er spijt van heb.’
De bezoeker die Charel werd genoemd, had een oog dat alle kleuren van de regenboog vertoonde, een gezwollen kaak en een hand in het verband.
‘Luistert goed naar mij, Charel.’ Maria zette het bollekesglas dat ze had schoon gewreven met een doek achter zich op een plank.

‘Het is niet omdat ge honderd euro hebt bijgelegd voor een ruit die meer dan driehonderd euro kost, dat alles nu vergeven en vergeten is. Zijt ge soms vergeten dat ge met uw zatte botten ruzie hebt gezocht met zowat iedereen en dat ge een barkruk naar de kop van Georges hebt gegooid omdat die in uw gezicht had gezegd dat hij uw gezever beu was. Spijtig dat George zich bukte, moet ik zeggen, want toen ging die kruk in de ruit. Zijt ge soms vergeten dat ge toen uw glas dat ge eerst hebt leeg gedronken naar de kop van Georges hebt gesmeten en dat het toen wel raak was? Dat de Georges bloedde gelijk een varken dat gekeeld wordt en dat ze zijn kop hebben moeten naaien in de Spoed? Dat er drie mannen nodig waren om u te doen bedaren? Dat er toen een combi van de politie passeerde en dat ge die mannen te lijf wilde gaan? Dat ge in uw bloot bovenlijf op de trottoir stond te roepen dat ge specialist in de Kung Fu waart? Dat ik alle moeite van de wereld heb moeten doen of de politiemannen hadden u meegenomen naar de amigo, om te ontnuchteren? Zijt ge dat allemaal al vergeten? Wel, ik nog niet. Weet ge eigenlijk wel wat ge hier allemaal hebt uitgespookt?!’


Charel bleef bedremmeld in het deurgat staan.
‘Wat zal’t zijn? Binnen of buiten, er komt kou binnen,’ mopperde een klant die aan een tafeltje dicht bij de deur zat.
‘Hebt ge gehoord wat die mijnheer zegt, Charel? Er komt kou binnen. Maak dat ge weg zijt op ik word opnieuw kwaad.’
De man die Charel werd genoemd keerde zich om en trok de deur achter zich voorzichtig in het slot.

 


‘Amai, Maria, ge zijt wel streng. Waar moet Charel zijn pinten nu drinken? Nu moet die helemaal naar de Nationalestraat.’
‘Ik denk niet dat er veel cafés zijn waar hij nog binnen mag,’ sneerde Maria, ‘hij zal content mogen zijn als ik hem maandag opnieuw binnenlaat. ‘
Zwarte Charel was vrijdagavond de druppel geweest die de emmer deed overlopen. Ze had zich zo verheugd op het assisenproces. Al die jaren had ze gehoopt dat ze een keer zou worden uitgeloot om als jurylid mee over schuld en onschuld te beslissen. Ze had zelfs een keer haar stoute schoenen aangetrokken en had bij het onthaal in het justitiepaleis naar de griffier gevraagd. ‘Welke griffier, madameke?’ had die vriendelijke mens aan de comptoir gevraagd. ‘Die van de assisenzaken,’ had ze gezegd, ‘ik wil mijzelf aanbieden als jurylid. Ze wist uit de gazet dat het de griffier was die de juryleden uitkoos.

‘Ik lees elke dag de gazet, mijnheer, en als er een assisenproces is dan lees ik zowel de Gazet van Antwerpen als Het Laatste Nieuws, om zeker niets te missen. En ik ben een onbesproken burger.’

Juryleden moesten onbesproken burgers zijn, hoe dikwijls had ze dat niet gelezen. De vriendelijke mens van het onthaal had zijn gezicht in een serieuze plooi kunnen houden en had haar gevraagd om haar naam en al haar voornamen plus haar adres in drukletters op een blad papier te schrijven.

‘Duidelijk leesbaar, madame, dat is heel belangrijk!’ had hij gezegd, en dat hij haar naam boven op de stapel zou leggen.

 

Maar dan waren er zeker nog twee jaar voorbij gegaan en waren de rechters verhuisd naar het vlinderpaleis. Dat wist ze! Ze was zelfs eens gaan kijken, daar. Tot bovenaan de trappen. Verder was ze niet durven gaan. Maar er was daar geen zaal die groot genoeg was voor een assisenproces, dat wist ze ook uit de gazet. Toen ze dan eindelijk een bruine omslag van het ministerie van Justitie had gekregen, had ze die bijna niet open durven maken.‘Doe gij dat maar, Berre, ‘ had ze tegen haar vent gezegd, ik ben te nerveus.’ ‘Godverdoeme,’ had Berre gevloekt, ‘ ge zijt uitgeloot, wie gaat er dan het café openhouden?’ ‘Gij, hé Berre, of hebt ge soms werk gevonden, zo ineens?’ Ze zag Berre gaarne, maar hij was een luierik. Haar vorige echtgenoot, Kamiel zaliger, met wie ze ’t Penseeltje open had gedaan, was een harde werker maar hij kon niet van de drank afblijven. Den baas meer zat dan’t volk, gelijk in de spreuk hé. De lever, het was te voorspellen geweest. Berre was een matige drinker, en hij pakte haar geregeld vast in bed, ondanks zijn jaren. Zou dat nog vanzelf gaan bij hem of zou hij in’t geniep van die pillen slikken? ’t Was eigenlijk al gelijk. Maar dus lui hé. Hij was metser van beroep, ’t was ook daardoor dat hun café zo in trek was bij de mannen van de bouw. Maar hoe het kwam dat hij nooit werk vond of aangeboden kreeg, terwijl de aannemers in de regel vochten om een goeie metser, dat had Maria nooit goed begrepen.

 


Heel het café wist dat ze vrijdag op het justitiepaleis verwacht werd. Ze had niet twee maar drie gazetten gekocht op vrijdag, die ze ’s morgens vroeg van de eerste tot de laatste bladzijde had gelezen. Weggegooid geld was het, want ze vond geen letter over dat proces, hoe was dat mogelijk. En dan zegt die platgescheten worm in zijn rode frak dat ze niet mag meedoen. ‘Ik wraak’, zegt die dan, zonder haar aan te durven kijken.
‘U moet het niet persoonlijk opnemen, mevrouw,’ had de voorzitter vergoelijkend gezegd. Nee, wacht, hij had dat nog anders verwoord: ‘U mag dat niet als een afkeuring van uw persoon beschouwen, mevrouw.’ Dat was nochtans precies zoals ze het had aangevoeld. Dat ze niet goed genoeg was om mee te mogen doen. Omdat ze café hield. Omdat ze niet op de letter sprak. Omdat ze niet lang naar school was geweest. Omdat ze maar een simpele volksvrouw was. Omdat ze te zeker te dom was om het verschil te zien tussen een treffelijke mens en een moordenaar. Zichzelf opboeiend was ze in de gietende regen te voet naar huis, naar haar café teruggegaan. Het was al noen geweest maar het café was nog niet gekuist en Berre lag nog in zijn bed. ‘Ik ben ziek,’ had hij geklaagd, ‘ik heb zeker de griep.’ Ze had zijn temperatuur gemeten, maar het zilveren streepje was met moeite boven de 37 graden uitgekomen. Ze had het café alleen moeten openhouden. En dan was er ’s avonds laat die ruzie en die vechtpartij gekomen en was de ruit gesneuveld. Maria was er nog altijd kwaad om. En dan durfde die karottentrekker van een Berre sms’kes van boven naar beneden sturen, zo van ‘Ik heb dorst, wilt ge een theeke brengen?’ ‘Ik heb het koud, kunt ge een sargie bijleggen?’

 

Met een klap zette ze de jeneverfles waaruit ze net twee druppels had ingeschonken op het blad van de toog. Heel het café keek in haar richting. Ze had het onbewust gedaan, de fles zo met een klap neergezet, omdat ze een besluit had genomen.
‘Ge gaat toch nog niet sluiten, Maria, het is nog niet eens donker?’ vroeg er een bezorgd.
‘Zijt ge soms kwaad op ons, Maria?’ peilde een andere.
‘Ik kwaad, bijlange niet,’ antwoordde Maria . Ze voelde hoe haar gezicht rood kleurde.
’En weet ge wat?’ zei ze, om de aandacht van de nieuwsgierig kijkende klanten af te leiden, ‘ge moogt allemaal uw glas laten bijvullen, de bazin trakteert.’
De klanten van café ’t Penseeltje in de Volksstraat lieten het zich geen twee keer zeggen. Maar pas toen ze allemaal hun gratis pint leeg hadden gedronken en het schuim van hun lippen hadden geveegd, polste Roger naar de reden voor haar plotse gulheid.
‘Dat zult ge nog wel zien.’
Meer zegde ze niet, en ze hoopte dat het raadselachtig genoeg geklonken had.
Dat ze maandag toch naar het justitiepaleis zou gaan en het assisenproces tegen die mens met zijn afgezette been van de eerste tot de laatste dag zou volgen, dat was de reden. Niet als jurylid, maar van uit het publiek. Maar ze zou haar beslissing eerst aan Berre meedelen. Morgen. Als hij uitgeziekt zou zijn. Ze wist het zelf niet, maar Maria stond de hele avond en een stukske van de nacht met een brede, onverwoestbare lach op haar gelaat achter de toog.

 

 

 

copyright Louis van Dievel

Commentaar

1. Jaak Misotten zegt ...

U bent een geweldige verteller, meneer Van Dievel.
Jaak

Naam*
URL
Email*
Email adres wordt niet gepubliceerd!
Onthoud mij
Commentaar*

CAPTCHA
Geef de bovenstaande cijfers in