zondag 10 januari 2010

Assisen - hoofdstuk 13

 

 

13. Een lamme vrouw geeft niets dan last

 

‘Doe het maar in uw broek, ik heb geen goesting.’
Mon Van Calster hield zijn gezicht verborgen achter de open geplooide Gazet Van Antwerpen. Om haar zielige blik niet te moeten zien. Zijn vrouw lag op het divanbed , bij het raam van de voorkamer, haar vaste plek. Niet dat ze van op het bed naar de straat kon kijken, daarvoor was het te laag. De oplossing was nochtans simpel en zou haar oneindig veel plezier doen. Maar Mon wilde het divanbed niet op houten blokken zetten, dat was te veel moeite, vond hij, en dat paste niet bij het interieur. En daarbij, wat zouden de passanten en de geburen daar niet van vinden, als er iemand van achter het raam de godganse dag naar buiten zat te loeren.
‘Ik zal iedereen vriendelijk toeknikken,’ had ze geopperd.
‘Ja, doe dat, straks denken ze nog dat ge een gepensioneerde hoer zijt.’

 


Mon Van Calster vervloekte de dag dat de specialist van het Middelheimziekenhuis met het slechte nieuws voor de dag was gekomen. Een week lang hadden de doktoors Angeline onderzocht en beklopt en bloed afgetapt en aan en in machines gelegd. Ze was op straat, in hun eigen Elf Novemberstraat, ineens door haar benen gezakt, toen ze Jefke, hun verbasterde basset uitliet. Het beest was net in de goot aan het kakken, had Angeline daarna verteld, aan wie het maar wilde horen. En er waren twee van die bruine mannen gepasseerd. Die waren gewoon over haar heen gestapt, stel u voor! Een van de twee had haar zelfs uitgelachen omdat hij haar onderbroek kon zien. Er waren auto’s voorbij gereden, die wel vertraagden maar niet stopten. Angeline had gezien dat er aan de overkant gordijntjes bewogen, in dat huis waar die Kosovaren wonen op kosten van het OCMW. Het was pas toen Fons van drie huizen verder ook met zijn hond ging wandelen, dat er zich iemand om haar bekommerd had. Fons was bij haar neergeknield. En intussen probeerde Jefke op de Duitse scheper van Fons te kruipen, want die was loops.
‘Allez Angeline, ge zijt toch niet zat?’ had hij gezegd. Maar aan zijn gezicht had ze gezien dat hij dat niet meende, dat hij ongerust was.
‘Ik voel mijn benen niet meer, Fons,’ had ze gesnotterd, ‘wilt ge een ambulance bellen alstublieft? En wilt ge Mon bellen op het Paleis?’
God den Here, Mon liep al zo lastig de laatste tijd, omdat ze zo dikwijls klaagde over haar zere rug en over tintelende benen. De ambulance was redelijk rap gekomen. Intussen waren er nog geburen naar buiten gekomen.

 


‘Wilt ge mij alstublieft niet naar binnen dragen?’ had ze gevraagd, ‘ik kan hier toch niet op de koude stenen van het trottoir blijven liggen.’
Met vier mensen hadden ze haar naar binnen gedragen, al was verslepen een beter woord, want Fons heeft het zelf ook aan zijn rug, en Jos Verkinderen van nummer 19 loopt met een stok en hun vrouwen zijn alle twee over de zeventig. Toen de Turk met zijn veel kinderen van daar schuin over had aangeboden om te helpen dragen, had Fons gezegd dat hij met zijn poten van madame af moest blijven. Dat was misschien wat overdreven geweest, die mens wilde per slot van rekening maar helpen, had ze gedacht. De ambulanciers hadden haar niet naar het Jan Palfijnziekenhuis willen brengen, hoewel dat het dichtste bij was. Ze moesten de regels volgen, hadden ze haar verteld, en ze hadden haar naar de andere kant van de stad, naar Middelheim gevoerd. Niet dat het daar slecht was, zeker niet, maar wel ver voor Mon en voor wie haar voorts nog had willen bezoeken. Fons was in al die consternatie natuurlijk vergeten van met Mon te bellen, of misschien had hij het niet gedurfd, want Mon kon nogal cassant zijn aan de telefoon. Nochtans stond hij in het Justitiepaleis aangeschreven als een heel behulpzame en vriendelijke bode. Soms verandert een mens als hij op zijn werk is. Of andersom, als hij van zijn werk thuis komt. Dat schijnt veel voor te vallen.

 


‘Dwarslaesie’, had de specialist gezegd.
Angèle had Mon maar met veel moeite kunnen overtuigen om te blijven tot de dokter gedaan had met opereren en tijd voor hen kon maken.
‘Mij brengen ze geen eten,’ had hij korzelig gezegd, ‘ ik moet godverdomme zelf mijn plan trekken als ik gedaan heb met werken.’

Hij at nu slechts één keer per dag warm, in plaats van 's middags in de personeelsmess van het Paleis en 's avonds thuis.  En hij moest zelf naar de bakker gaan.


‘Kunt u dat niet in mensentaal zeggen?’ had Mon nogal brutaal geantwoord toen de dokter ‘eindelijk’ de tweepersoonskamer binnen was gekomen en de diagnose had geformuleerd, ‘wij hebben niet gestudeerd.’ Angeline had zich in zijn plaats geschaamd.
De specialist had flauw geglimlacht. ‘De ruggengraat van mevrouw is beschadigd,’ legde hij uit, ‘en daardoor zijn haar benen verlamd.’
‘Dat kan toch genezen, mag ik hopen?’
Mon had meer kwaad dan ongerust geklonken.
‘De schade is onherstelbaar,’ had de dokter op zachte toon gezegd, ‘mevrouw zal verlamd blijven aan beide benen. Al wat we kunnen doen is beletten, of proberen te beletten, dat de dwarslaesie zich naar boven uitbreidt, en dus ook de verlamming.’
‘Madame, ik wil mij niet met uw huwelijk bemoeien,’ had Ida gezegd toen de dokter en meteen daarna ook Mon vertrokken waren, ‘maar uw echtgenoot denkt alleen maar aan zijn eigen.’
Ida lag in het andere bed op kamer 609. Ze was weduwe. Ze leed aan leverkanker. En nochtans had ze na haar huwelijksfeest met Edgar, in 1949 in de parochiezaal van Oelegem, nooit meer een druppel alcohol aangeraakt, had ze Angele verzekerd.

 


Haar verlamming had hun huishouden en hun huwelijk geen deugd gedaan. Mon haatte verandering. Daarom deed hij zijn werk op het paleis ook zo graag. Er passeerden daar alle dagen nieuwe mensen – klagers, gedaagden, getuigen, advocaten, griffiers, magistraten, politieagenten , noem maar op - maar de regels bleven dezelfde. Dat was een geruststelling, dat gaf houvast. En als er verandering kwam, dan ging dat traag, zonder schokken, met respect voor de instellingen en voor de mensen. De ziekenkas had een rolstoel gebracht voor Angele. Er kwam iedere dag een zuster van het Wit-Gele Kruis om haar te wassen en aan te kleden. Het OCMW bracht haar middageten. Er kwam iemand om het huis op orde te houden en haar tot ’s middags een uurtje gezelschap te houden. Mon had Jefke naar het hondenasiel gebracht. Een hond gaf maar last en hij had last genoeg.

 

De sociaal assistente van het OCMW had met Mon Van Calster getelefoneerd met de suggestie om het toilet om te bouwen, zodat zijn echtgenote van de rolstoel op de pot kon. Mon had haar afgeblaft. Wie ze dacht dat ze was om hem op zijn werk lastig te vallen. Dat hij voor de Justitie werkte. Of ze dat besefte? Dat ze met de inrichting van hun huis niets te maken had. Dat hij tot nader order de baas was over zijn eigendom dat hij met zijn zuurverdiende spaarcenten had gekocht. Het alternatief, had de verbouwereerde sociaal assistente gezegd, waren pampers voor volwassenen. Maar dat zou spijtig zijn, want madame was niet incontinent en hij, haar echtgenoot, zou ook luiers moeten verversen want de verpleegster kwam alleen ’s morgens en de hulp van het OCMW zou tot ‘s middags beperkt blijven. Mon Van Calster had zich opgeboeid, had een tirade afgestoken , dat de vreemden altijd voor werden getrokken, en dat iemand die altijd belasting en sociale lasten had betaald en niet met drugs zijn brood verdiende in de kou bleef staan. De sociaal assistente, die nieuw was en nog niet veel ervaring had met verbitterde en zich miskend voelende Antwerpenaars , had de telefoon op haar bureau neergelegd en was buiten een sigaret gaan roken. Ingrid was haar naam, maar dat heeft verder geen belang.

 


“Mon, zoudt ge mij naar de WC willen dragen?’ had ze gevraagd. De eerste keer om twee uur, en dan nog eens om kwart over en de derde keer om vijf voor half drie.
’Alstublieft Mon, alstublieft? Ik kan er toch niet aan doen dat ik u tot last ben. Ik kan het bijna niet meer ophouden.’
Maar Mon Van Calster had voort gelezen in zijn krant. Al kon hij zich niet goed meer concentreren door het gezaag van zijn vrouw. Dat artikel van Frans Morren was wel een goede samenvatting van het proces dat maandag ‘voor serieus’ van start zou gaan. Morren had zijn huiswerk gemaakt. Hoe die mens zijn been kwijt was geraakt, hoeveel zouden er dat weten? Daar zou de zaak wel op uitdraaien, op de vraag of iemand met maar een been een jonge vrouw kon vermoorden. Het beloofde een interessante week te worden. Zijn kop eraf als dat jurylid met zijn onnozele naam, die Fidel Castro, het hoofdmanschap maandagochtend niet zou overnemen. Leer mij mijn pappenheimers niet kennen, snoof hij in zichzelf. En wie zou Désiré Lamarque opvolgen als voorzitter? Hij kon er niet op zijn gemak over nadenken. Het gesnotter van zijn vrouw werkte op zijn zenuwen. Moest hij nu de rest van zijn dagen slijten met een lamme vrouw? Hij vond het een ondraaglijk vooruitzicht. Met een ruw gebaar vouwde hij zijn krant dicht – het was meer verfrommelen wat hij deed -, kwam overeind, liep naar de gang en trok zijn overjas aan. Het regende buiten maar alles was beter dan de namiddag met dat lamme wijf doorbrengen. Hij hoorde wel hoe ze hem nariep, hoe ze op wanhopige en ongelovige toon vroeg waar hij naartoe ging, of hij haar echt niet op de WC wilde zetten, maar hij haalde zijn schouders op en trok de voordeur achter zich dicht. Op de Bredabaan moest hij niet eens een minuut wachten op tram 3.

 

Hij stapte uit aan de Groenplaats. Het regende pijpenstelen, inmiddels. In café Rubens bestelde hij een trappist en dan nog een. Hij keek misprijzend naar de chichi dames die daar hun namiddagen plachten door te brengen. Om vijf uur at hij een croque monsieur. In een achterlaten exemplaar van Het Laatste Nieuws las hij de voorbeschouwingen bij het voetbal. Hij liet kaasblokjes met mosterd brengen en nog een trappist, een tripel deze keer. Hij leegde zijn blaas meer naast dan in de pot van de café-WC. Om half negen stak hij al neuriënd de sleutel in het slot van de voordeur. In de gang kon hij al ruiken wat er gebeurd was. Weg was zijn goede humeur. Ze hoorde hem binnenkomen en hield zich zo stil mogelijk. De stank pakte op zijn adem. Het licht van de luster verblindde haar. Ze gaf geen kik toen hij haar drie, vier, vijf keer met zijn vlakke hand hard in het gezicht sloeg. Als ze zijn naam had genoemd, of gesmeekt om daarmee op te houden, zou hij zijn blijven slaan, dat wist ze. Nu liet ze zich schoonmaken als een hond die in een stront heeft gerold. Het moest ruw gaan, het moest pijn doen, want ze moest boeten voor wat ze gedaan had. Hij duwde nog net niet haar besmeurde hemd en onderbroek en de stinkende lakens in haar aangezicht. Het ergste vond ze niet de respectloze manier waarop hij met haar lichaam sleurde, maar zijn verbeten gezicht, de haat in zijn ogen, de afkeer ook. Ze sloot haar ogen want ze kon het niet verdragen. Moest ze de rest van haar dagen met hem slijten? De gedachte leek haar ondraaglijk.


Copyright Louis van Dievel

Commentaar

Naam*
URL
Email*
Email adres wordt niet gepubliceerd!
Onthoud mij
Commentaar*

CAPTCHA
Geef de bovenstaande cijfers in