Assisen - hoofdstuk 12
12. Een goed geschreven pornografisch verhaal
‘Wie is Clara?’ had ze gevraagd.
Ze zat achter zijn computer aan zijn werktafel. Zijn hart sloeg een slag over toen hij haar daar zag zitten. Ze was in de douche geweest. Ze droeg een witte handdoek als een tulband om haar hoofd en een blauwe badmantel. Op de plankenvloer waren nog de afdrukken van haar natte voeten zichtbaar. Lang kon ze nog niet in zijn kantoorstoel hebben gezeten. Claire was dronken, of minstens aangeschoten. Hij zag het aan haar ogen. Anders had ze nooit de euvele moed gehad om de enige plek in huis die van hem was met haar aanwezigheid te schenden. Wat had ze in de zin? Had ze een slechte dag gehad op haar werk? Had een arts haar afgeblaft? Had Gino of Kevin of Philippe haar laten zitten? Moest hij de rekening voor haar verdriet, haar frustratie, haar onmacht betalen? Fidel Vervoort slikte speeksel weg en wachtte af.
‘Of ben ik soms Clara?’
Ze had naar het scherm gewezen. Hij kromp ineen. Alsof hij van op drie meter afstand kon lezen of raden welke tekst ze open had geklikt. Had ze het pornografische verhaal waaraan hij werkte gelezen? Het stond op het bureaublad. Hij bewaarde die dingen niet, gelukkig maar. Als hij ze naar de uitgever had gestuurd, versaste hij de verhalen die hij om den brode schreef naar de prullenmand. Had ze ook elders gezocht? Had ze ook zijn post gelezen?
‘Dat had ik nooit van u gedacht.’
Haar stem klonk plots veel milder.
‘Dat ge nog tot zoiets in staat waart, bedoel ik.’
Hij begreep er nog minder van nu. Nog altijd stond hij in het deurgat, een beetje gebogen, met de knop in zijn linkerhand , zijn rechterarm slap langs zijn lichaam. Hij betrapte er zichzelf op dat zijn mond open hing. Net toen hij zich wilde vermannen en haar met stoel en al uit zijn werkkamer naar buiten wilde rollen, begon ze voor te lezen.
“Het was laag water. Ik zat in wankel evenwicht gehurkt nabij de scheidingslijn tussen nat en droog zand, traag schommelend. De vingertoppen van mijn rechterhand duwden putjes in het zand, telkens wanneer ik het evenwicht dreigde te verliezen. Het strand was een halve kilometer breed en ik zat ongeveer in het midden. Er was niemand op het strand, behalve ik. Het was zeven uur. De zon was net ondergegaan in de richting van Cherbourg. Ik had te lang in de fel oranje bol gekeken. Er dansten lichtvlekken voor mijn ogen, ook als ik ze sloot. De schemering had zich nog niet ingezet. Iemand moest nog het sein geven. De lucht en de zee gingen grijs en naadloos in elkaar over. Ik kwam moeizaam en stram overeind. Automatisch gleden mijn handen over de vele zakken van mijn mouwloze gewatteerde jas, vonden de geruststellende harde bult van de fles. Ik had recht op een slok nu. Volgens het zelfbedachte, ingewikkelde systeem in mijn hoofd had ik na zonsondergang recht op een slok. Een middelmatig grote. De zevende van de dag. ‘Nog even wachten’, nam ik mezelf voor.
Ik voelde me sterk als ik dat tot mezelf kon zeggen. Ik voelde hoe mijn lippen zich tot een voorzichtige, bijna tevreden glimlach krulden. “
Claire las goed voor, heel goed zelfs. Ze sliste een beetje, maar dat kwam allicht door de drank. Terwijl ze las zag hij de ik-persoon op dat Normandische strand gehurkt in het zand zitten. Datzelfde, bijna tastbare beeld had hij voor ogen gehad toen hij de tekst schreef. Ze keek op van het scherm en lachte zowaar naar hem, lachte lief zelfs. Hij voelde hoe hij bloosde, fel bloosde, als een op masturberen betrapte puber. Hij kende de tekst haast uit zijn hoofd, zo vaak had hij hem herschreven. Tot er geen enkel woord meer te veel in stond, tot ieder woord op zijn plaats stond. In zijn hoofd ging het zo verder:
“Van achter de duinen kwam een motorgeluid naderbij. Ik draaide me tegen mijn zin om, speurde vergeefs de verre duinenrand af. Ik kreeg mijn ogen niet scherpgesteld. Het geluid werd hard en snijdend en nog steeds kon ik de bron niet achterhalen. Dat beviel me niet. Geïrriteerd tastte ik naar de fles. De schroefdop knarste toen ik hem van de hals van de fles draaide, er zat zand tussen. Plots was het motorgeluid bijna pal boven mijn hoofd. Ik keek op. De plotse beweging veroorzaakte een pijnscheut in mijn nek. Honderd meter boven mij maakte een vliegend tuig, bestuurd door een eenzame piloot, een brede bocht over het strand en de waterlijn. Het vliegende tuig had een naam, maar ik kon hem niet vinden. Snel nam ik een slok, om mijn groeiende ergernis de kop in te drukken. Ik telde luidop tot tien, nam dan nog een slok, een kleinere. Dat kon, volgens het systeem in mijn hoofd.
‘Een vliegende brommer onder een valscherm’.
Kon iedereen zich daarin vinden ? Ik keek om me heen. Er was geen bezwaar. Vergenoegd knikkend stopte ik de fles opnieuw in de juiste jaszak, trok de rits dicht. De precieze naam zou me morgen of overmorgen wel te binnen schieten, maar zou dan niet meer terzake doen. Ik moest me beperken tot het essentiële, me daarop concentreren: Smirnoff, Blanc de Blancs, Pastis, Eau Vichy. Baguette, Camembert, Beurre.
Het vliegende tuig was al opnieuw achter de duinen uit het gezicht verdwenen, maar het geluid bleef nog minutenlang hangen boven het strand. Ik zag ragfijne flarden blauw uitlaatgas door de lucht zweven."
Haast ongemerkt had Claire de tekst opnieuw van hem overgenomen. Nog bleef Fidel Vervoort beducht voor een plotse, hatelijke schaterlach, een van chagrijnige lol overslaande stem, een aanranding van de tekst. Maar die kwam niet. Ze pauzeerde, scrolde naar beneden om te kijken hoeveel tekst ze nog voor zich had, schraapte even haar keel en las voort.
“Plots stak er wind op. Het grijs scheurde traag open en de horizon werd zichtbaar. Plots lag daar het donkere silhouet van Jersey, bijna op grijpafstand. Het water werd oliegroen, het strand vuilgeel. Er wiekte een zilveren meeuw laag over de waterlijn.
Het duurde misschien vijf tellen.
Dan hoorde ik de vingerknip van de Grote Seingever en de schemering viel in. De zeebries ging liggen, het eiland verdween even snel als het verschenen was. Ik draaide om mijn as, keek om me heen. Alles wat kleur had in het landschap vervaalde snel, als op bevel. Het werd doodstil. Ik huiverde, zette de kraag van mijn jas rechtop. Alweer een dag voorbij. Ik keek nog een keer naar de zee. De vloed had zich haast onmerkbaar ingezet.
Ik zag een zwarte stip in het donkere water. Toen ik in de stip een hoofd herkende, kwam de kust opnieuw tot leven. Een hond rende over het strand achter de vage contouren van meeuwen aan, de tractor van een visser kwam over de dijk aan getuft. Iemand riep, iemand zette de radio luid, de wind bracht een verdwaalde klokslag mee van een kerktoren uit de buurt. De vuurtoren van Cherbourg lichtte op. Uit de zee klonk het geluid van zwemslagen, het geproest en geblaas van een zwemmer die vaste grond weet onder zijn voeten en daar blij om is. Ik voelde opluchting. Uit het zacht golvende water rees het bleke lichaam van een vrouw op. Ze was naakt. Struikelend legde ze de laatste meters in het water af en rende dan over het zand in mijn richting. Ik bleef staan, keek gefascineerd naar de rennende vrouw in het bijna donker. Daarom stond ik hier, om haar op te wachten.
Het essentiële.
Nog honderd meter, nog vijftig. Ik boog me voorover naar het stapeltje kleren en de handdoek die op het zand op haar hadden liggen wachten. Ik hoorde de vrouw nu hijgen, rillen en klappertanden tegelijk. Ik hield de badhanddoek wijd open klaar voor haar, de handdoek met Donald Duck erop. Om haar droog en warm te wrijven, om haar te koesteren en haar zoute gezicht te kussen.
Het gezicht van Clara, mijn geliefde.”
Bij de laatste zinnen had haar stem gebeefd. Ze had tranen in de ogen gehad toen ze zijn werkkamer uit liep. Uit vluchtte, als hij eerlijk was met zichzelf. Hij was gaan zitten. De zitting van de kantoorstoel was nog warm van haar lichaam. Een uur of langer had hij naar de tekst zitten staren. “On the beach” was de werktitel die hij ervoor had bedacht, naar een elpee van Neil Young. Ze had beneden aan de trap zijn naam geroepen. En dat de tafel gedekt was. Ze had een omelet gebakken, zei ze, bijna verlegen. Koken was nooit haar sterke kant geweest. Lang hadden ze alleen maar gekauwd en naar het tafelblad gekeken. Tot hij, met horten en stoten, was beginnen vertellen over zijn tekst, over zijn roman in wording. Over een dronkaard en zijn grote liefde. Hij had haar terwijl hij sprak timide aangekeken, bijna verontschuldigend.
‘Laat het mij weten als er meer te lezen valt.’
Ze had al minder geïnteresseerd geklonken.
‘Is het al zo laat? Ik moet weg.’
Ze had haar glas wijn haastig leeg gedronken. Hij had haar in de badkamer bezig gehoord. Ze had zich mooi gemaakt, had hij in de gang gezien, toen ze daar haar jas aantrok en daarna met een vaag ‘doei’ naar haar auto was gelopen. Hij wist niet waar ze naartoe ging. Ze was pas om vier uur ’s nachts terug thuis gekomen. Voor het eerst in meer dan een jaar had Fidel Vervoort ongerust wakker gelegen, wachtend op haar komst. Met een plof had Claire zich op het bed laten vallen. Drie minuten later begon ze luid te snurken. Ze rook naar alcohol en sigaretten. En naar nog iets. Maar hij kon niet met zekerheid stellen dat het naar seks was, want die geur was uit zijn geheugen verdwenen.
Na een slapeloze nacht was hij om acht uur opgestaan. Het was nog niet helemaal licht. Het miezerde buiten. Hij had hoofdpijn. Hij had lang gedoucht, had zich niet geschoren om de verloren tijd in te halen. Was naar de bakker gelopen, had de ontbijttafel gedekt, was aan de slag gegaan. Zijn pornoverhaal voor Macho moest dit weekend klaar zijn. En vermits hij zinnens was om zondag in de haven te gaan ronddwalen - misschien wel helemaal tot in de Magerhoek - wilde hij het verhaal vandaag klaar hebben. Het moest meer ‘kinky’, had de hoofdredacteur van Macho hem laatst gemaild, er moest een ranzig randje aan zijn verhalen zitten. Een verkrachting af en toe? had hij terug gemaild. Ja en nee, had de hoofdredacteur geantwoord, afgedwongen seks is oké als het maar goed afloopt. Terwijl zijn pc warm liep, had hij zachtjes de deur van de slaapkamer geopend en door een kier naar binnen geloerd. Claire snurkte niet meer, ademde nog wel zwaar. Door het kleine beetje licht dat naar binnenviel, zag hij hoe ze met licht gespreide armen en benen en op haar buik liggend, het hele bed in beslag nam. Ze was naakt.
“Hij was al op de plaats van afspraak, de plek in het bos, dichtbij de afslag van de autoweg. Als versteend zat hij op zijn motorfiets, een knalrode Ducati. Langzaam reed ze door de krakende sneeuw de open plek op. Ze zette haar BMW handig op de steun en steeg af. Het geraas van de autoweg klonk dichterbij dan de laatste keer, maar toen was het nog nazomer geweest en had het gebladerte van de bomen het geluid gedempt. Ze ging voor hem staan. Nam de helm van haar hoofd, schudde haar haren. Langzaam trok ze de rits van haar motorpak naar beneden. Ze wachtte even. Moest ze wachten tot hij het initiatief zou nemen? Maar hij bewoog niet. Met rustige bewegingen trok ze het nauwsluitende leren pak uit. Ze wankelde even toen ze op één been stond om uit de laatste pijp te stappen. Ze huiverde, want ze droeg daaronder enkel een slipje. Hetzelfde paarse slipje dat ze altijd moest dragen, dat ze nooit mocht wassen van hem. Maar de gloed van haar begeerte verjoeg de winterkou op haar huid. Nog altijd had hij niet bewogen. Ze keek naar hem, zag de weerspiegeling van haar gezicht in het donkere plexiglas van zijn helm. Ze wreef haar knieën tegen elkaar. Ze hoopte dat hij de helm niet af zou nemen, dat hij haar zou nemen als een naamloze. Ze draaide zich om, trok het slipje traag over haar billen naar beneden. Ze leunde voorover, steunde tegen de stam van een berk, spreidde haar benen en wachtte. Ze hoorde hem afstijgen. Ze hoorde trage, zware stappen die in haar richting kwamen. Het geluid van de handschoenen die uitgingen. Ze hoorde het geluid van zijn rits. Hij droeg een pak in twee delen. Hij stond nu pal achter haar. Ze reikte tussen haar benen en voelde zijn stijve gloeien tussen haar vingers. Heel even keek ze om, hij had zijn helm opgehouden. Hij pakte haar smalle billen beet met zijn ruige handen en duwde zijn lid bij haar naar binnen. Haar hand reikte naar zijn teelballen nu, waar ze net bij kon. Terwijl ze zachtjes kneep telde ze halfluid zijn stoten. Bij honderdvijftig, en niet eerder, zou ze klaarkomen, had ze hem in haar laatste mail beloofd, en dan zou ze janken als een hond. Ze voelde hoe hij zijn tempo opvoerde. Ze was nog niet aan honderd, ze was nog niet waar ze zijn wilde. Ze hoorde hem hijgen achter het plexiglas. Ze voelde hoe hij zijn duim ruw in haar anus binnendreef. Er ontsnapte een kreetje van pijn aan haar mond. Nog sneller bereed hij haar nu. Zijn handen klauwden in het vlees van haar billen. Aan honderdvierentwintig was ze nog maar toen hij briesend als een stier zijn hete sperma in haar loosde. Zij duwde haar bekken naar achter, in een poging om alsnog haar hoogtepunt te bereiken. Tevergeefs. Ze voelde hem in haar verslappen. Hij greep haar bij de haren en hield haar hoofd in een pijnlijke greep. Ze gilde van angst toen een tweede, identiek geklede motorrijder uit de struiken kwam. Maar ze kon zich niet bewegen. Het paars en roze van zijn gezwollen lid stak schril af tegen het zwart van het leer. Traag nam de tweede man zijn helm van zijn hoofd. Het werd even zwart voor haar ogen toen ze zijn gezicht herkende. Hij was het. Ze verzette zich niet toen hij haar op de knieën duwde en haar beklom. Ze opende haar mond toen de eerste man zijn opnieuw halfstijve lid tegen haar lippen duwde. Ze was de tel kwijt.”
Fidel Vervoort had zo geconcentreerd zitten schrijven dat hij haar niet had horen binnenkomen. Hij had niet eens gemerkt dat Claire met haar zure adem over zijn schouders meelas. De klap tegen zijn rechteroor kwam nog harder aan, deed meer pijn omdat hij er niet op bedacht was.
‘Vieze rotzak!’ krijste ze, en ze liep kokhalzend naar het toilet.
copyright Louis van Dievel