zondag 27 december 2009

Assisen - hoofdstuk 11

 

 

11. Een eindeloos lange zaterdag in de Begijnenstraat

 

Hij werd wakker van de pleegeluiden van zijn celgenoot, Didier. Didier M’Boenda was een kolos van een Congolees, honderdvijfentwintig kilo droog aan de haak, wiens machtige achterwerk amper op de WC-pot paste. Zijn moeilijke stoelgang was misschien niet de grootste zorg in het leven van Didier, maar behoorde zeker tot de topdrie. Ook toen hij nog op vrije voeten was, had hij Gommaar Meganck verzekerd, bracht hij iedere ochtend een minstens een half uur en veel vaker meer dan driekwartier door op de plee, vechtend tegen de constipatie. In de gevangenis, met dat tetse, kleffe, voor een Congolees niet te vreten eten, was het nog een graad erger.

Om zijn dikke, zijn dunne en zijn endeldarm des ochtends tot toegeeflijkheid te bewegen, had Didier M’Boenda een ingewikkeld ritueel ontwikkeld, dat begon met het drinken van een slok wonderolie, gevolgd door het uitvoeren van turnoefeneningen, of pogingen tot. De buikomvang van de Congolees was daarbij de grootste hinderpaal, op korte afstand gevolgd door zijn kortademigheid. Thuis, in Vilvoorde, kon hij naar hartelust touwtje springen, wat al eens wilde helpen, maar in de gevangenis kon daarvan geen sprake zijn. Al had hij het toch een keer geprobeerd. Maar de cel was veel te klein en de schade aan het schamele interieur niet te overzien geweest. Bovendien had het gedaver van ’s mans gewicht op de celvloer niet alleen Gommaar Meganck en de directe buren ruw uit hun slaap gewekt, in het hele blok was gevloek en getier te horen geweest en in de controlekamer was een alarm afgegaan.

 

Na zijn oefeningen bad Didier M’Boenda op zijn blote knieën tot de Heer. Of tot meerdere goden, in noodgevallen, wanneer zijn verstarde en versteende stoelgang vurige steenpuisten op zijn massieve lichaam deed verschijnen. Vervolgens sprak de Congolees zijn weerspannige ingewanden toe, eerst fluisterend en daarna op luide, bezwerende toon, in een taal uit zijn moederland. Waarna hij zich van al zijn kleding ontdeed, geconcentreerd, soms minutenlang, heen en weer wiegde op de ballen van zijn voetzolen, en zich op het juiste moment op de WC-pot liet vallen, letterlijk vallen. Het sanitair van de firma Ideal Standard dient geprezen voor zijn schokbestendigheid. De ervaring leerde dat er zich dan twee mogelijkheden voordeden. Ofwel toonden de darmen van M’Boenda zich goedertieren en bereid een bolus van aannemelijk formaat af te scheiden, ofwel kropen zij bij wijze van spreken in hun schulp. In het tweede geval poogde Didier door middel van soms klaaglijk, dan weer vastberaden kreunen, krochen en persen, luidruchtig in- en uitademen, het zetten van druk op het bekken, het opensperren van de anus, het afwisselend dichtklemmen van tanden en lippen, het wegdraaien der ogen, het opzwellen der nek- en halsspieren en –aders, en het opjagen zijner bloeddruk zodat zijn anders pikzwarte gezicht donkerrood werd van inspanning, enige ontlasting af te scheiden. Soms geschiedde dan het wonder, en kon men de plons horen van de bolus die in het spoelwater viel. Maar vaker, veel vaker dan Gommaar Meganck en het hele cellenblok lief was, werd de arbeid – want dat was het, zware arbeid! – van Didier M’Boenda niet met een plons beloond, maar met het amper hoorbare tikje van een vallend konijnenkeuteltje, of erger nog, met het flauwe blazen van een wind of het openspringen van een ader en het rondsproeien van het bloed in de WC-pot. Didier M’Boenda leed ook aan speen, aan erge speen, het zal niet verbazen.

 

Gommaar Meganck had door de hele inleidende fase geslapen: de wonderolie, het turnen, het bidden, het spreken en smeken, het wiegen. Het kreunen was nu in volle gang. Uit de ingewanden van Didier borrelden vreemdsoortige geluiden op. Meganck hoorde een plons en dan nog een. Hij kwam overeind in zijn bed, de bovenste verdieping van hun stapelbed, het laken tot aan zijn kin opgetrokken. Tegelijk met het verschijnen van een brede, gelukzalige lach op het gezicht van zijn zittende celgenoot, verspreidde zich in de bedompte ruimte de stank van een beerput die geruimd wordt. Meganck kon een kokhalzend geluid niet onderdrukken en dook met zijn hoofd onder zijn peluw. Hij probeerde niet te luisteren naar de spoeling van de plee. Het neuriën van Didier. Het lopen van het kraantje. Het gespat van water wanneer zijn celgenoot zijn anus met zijn hand schoonmaakte. Het gegorgel, het geproest. De vloer zou weer kleddernat zijn en hij zou kunnen dweilen. Zo ging het iedere dag.

 

Het was zaterdag.


‘Zaterdag, vrije dag, wat met de tijd gedaan?’ Waar kwam dat liedje plots vandaan? Wie zong het ook alweer, lang geleden? Was het niet die kerel met zijn huilstem, Jimmy Frey? Hij probeerde zich nog meer tekst te herinneren, neuriede onder zijn hoofdkussen een stukje van de melodie. ‘Zaterdag, lege dag, niemand om mee uit gaan.’ Gommaar Meganck had zich altijd al afgevraagd hoe dat kwam, hoe dat functioneerde. Hoe al die liedjes in zijn achterhoofd bewaard bleven, hoe ze getriggerd werden waardoor ze plots, ongevraagd, op zijn tong lagen. Zijn geheugen was een zeef, behalve voor liedjes.
Het was zaterdag. Dat hoorde hij aan het luie ontwaken van de gevangenis in de Begijnenstraat, aan het gezapige tempo waarmee de dagelijkse routine werd aangevat. Jos, de cipier met weekenddienst in hun blok, ging van deur tot deur, opende de luikjes, keek of er niemand ontbrak, of er niemand dood of in coma in bed of op de vloer lag, maande hier en daar iemand aan om wakker te worden. Het was acht uur. Dadelijk zou de kar met het ontbijt langskomen, waarschuwde Jos, en wie niet uit bed was kon op zijn kin kloppen, want wachten deed de kar niet.

 


‘Gommeir’.
De stem van Didier M’Boenda was vlakbij zijn hoofdkussen.
‘Gommeir, je suis pret, moi. La salle de bain est tout à toi.’
Didier lachte klokkend kom zijn eigen grapje. Gommaar Meganck hoorde hoe hij de televisie aanzette, langs alle kanalen zapte, en bij MTV of TMF bleef hangen, waar een rapper van dertien in een dozijn rijmelde over een bitch die hem horny maakte. Meganck kon zich de videoclip zo voorstellen, ze leken allemaal op elkaar. Net zoals de pornofilms die hij ’s avonds laat moest uitzitten terwijl Didier zich aftrok. Soms werkten het gehijg en de aanmoedigingskreten die Didier zowel tot het scherm als tot zichzelf richtte als een slaapmiddel.

 

Maar gisterenavond was hij klaarwakker geweest, had hij meegekeken. De start van zijn proces had zijn gevangenisroutine danig door elkaar geschud. Had adrenaline in hem opgewekt, energie die geen uitlaatklep had gevonden. Gedachten waren door zijn hoofd blijven tollen. De porno was welkom geweest. Ze hadden samen voor de tv gezeten, met hun broek en onderbroek op hun knieën, met hun penis in de vuist. Twee getatoeëerde mannen hadden een wat mollig meisje van misschien zeventien in al haar openingen geneukt. Het meisje had puistjes op haar billen en daar waar ze haar schaamhaar had geschoren. Gommaar Meganck had gezien hoe het gezicht van het meisje af en toe vertrok van de pijn, en hoe ze de pijn met kreetjes van verrukking probeerde te maskeren. Hoe ze vooral de ene man die in haar anus zat, met haar ogen tot voorzichtigheid had willen bewegen. De man had gegrijnsd en extrakracht gezet. In de films die in Hongarije of Tsjechië werden gedraaid - ze waren herkenbaar aan het schabouwelijke Engels dat er gesproken werd - werd het scenario aan de fantasie of de perversiteit van de mannelijke ster overgelaten. Soms zag je de ogen van de starlets zenuwachtig en ongerust heen en weer flitsen tussen de man die hen bezat en de cameraman. Alsof ze van die kant hulp verwachtten. Of tenminste toch compassie. Misschien was de cameraman hun vriendje.

 


Didier M’Boenda had geringschattend naar de erecties van de blonde, blanke mannen gewezen en vervolgens, sprekend tot het televisiescherm, zijn eigen, buitengewoon fors ontwikkeld en gezwollen lid aangeprezen, alsof het meisje in de film de keuze had. Over het bescheiden formaat van Gommaers erectie had hij niets gezegd. Hij vermeed het naar het kruis van Gommaar te kijken, omdat hij dan ook de stomp van zijn been zou zien.
‘Tu me fais débander, Gommeir, avec ton truc.’

 


Zijn vorige celgenoot was een Marokkaan geweest, op wie de stomp dan weer ophitsend werkte en die hem op ieder moment van de dag en de nacht had willen naaien. Gommaar sliep onderaan, toen, en lag iedere nacht angstig te wachten tot het kraken van het bedgeraamte de komst van de spiernaakte Marokkaan aankondigde. Gommaar Meganck was bij de nachtelijke worstelingen met zijn geamputeerde been in het nadeel maar hij had sterke armen. Toch was hij niet opgewassen geweest tegen verkrachter. Zoals het meisje in de pornofilm kansloos was tegen haar twee tegenspelers. Het eindigde ermee dat hij de Marokkaan iedere avond, bij wijze van alternatief, één keer afzoog en één keer aftrok, in die volgorde. Gelukkig was zijn celgenoot twee dagen na zijn veroordeling tot vijf jaar wegens diefstal met geweld naar De Nieuwe Wandeling in Gent overgeplaatst.

 

En voor de Marokkaan had hij zes maanden lang met een godsdienstwaanzinnige Pool de cel gedeeld, die de gloednieuwe televisie - een cadeautje van meester Loos - al op de eerste dag stuk had getrapt omdat het een instrument van de duivel was en die zijn dagen biddend op zijn knieën doorbracht voor een zelfgemaakt altaar waarop een plaasteren beeldje van de maagd Maria prijkte. Ze droeg een aureool van kerstlichtjes die op batterijen werkten. De Pool had zijn vrouw gewurgd omdat hij haar verdacht van een relatie met de parochiepriester in het boerengat nabij Krakau, waar ze woonden. Hij was naar België gevlucht en had daar de moord bekend in de biechtstoel van de Poolse kerk van Antwerpen. De priester daar had het biechtgeheim op soepele wijze geïnterpreteerd en had de biechteling aangegeven bij de politie. Uit vrees voor zijn eigen hachje had hij de moordenaar, na de opsomming van zijn zonden (hij had het lijk van zijn vrouw in stukken gehakt en aan de varkens gevoerd), zelfs de absolutie gegeven. Voor de Pool was de zaak daarmee geregeld. Dat hij aan Polen zou worden uitgeleverd en dat hem daar een levenslange gevangenisstraf wachtte, was van bijkomstig belang, ja zelfs zonder enig belang, had hij Gommaar Meganck geduldig uitgelegd. Want god had hem, via de biechtvader, vergeving geschonken. Als tegenprestatie moest hij de rest van zijn leven op zijn knieën tot de maagd Maria bidden. Dat vond hij een redelijke overeenkomst.

 

Didier M’Boenda zat onschuldig in de gevangenis, had hij Meganck op dag één verzekerd. Hij was onder een vals voorwendsel naar de Begijnenstraat gelokt. Dat moest volstaan als uitleg. Van de cipiers had Meganck vernomen dat M’Boenda in dezelfde branche als hijzelf actief was geweest. Dat hij meisjes, blanke meisjes, vaak nog maar pubermeisjes van veertien jaar, tot prostitutie dwong nadat hij ze eerst een tijdlang – net lang genoeg om ze verslaafd te maken - gratis van cocaïne en heroïne had voorzien. En nadat hij ze zelf grondig had uitgeprobeerd.
Het luikje ging open.
‘Bezoek, Gommaar,’ zei de mond van Jos de cipier in de vierkante opening, ‘komt ge mee?’
Het was kwart over tien.
‘Tu as de la visite à cette heure ci?’
Didier keek verbaasd weg van de avonturenfilm op Prime.
‘Ce sera mon avocat,’ expliceerde Meganck aan zijn celgenoot?
Hij kreeg nooit bezoek, behalve van zijn raadsman. Zelfs de Rus die voor zijn peperdure verdediger betaalde, had zich nog niet laten zien. Maar dat zou wel komen, vermoedde Meganck. Hij was er zo goed als zeker van. De Rus had hem nodig. Tot op zekere hoogte, althans.
Meganck duwde zich overeind en hobbelde achter Jos aan, af en toe op diens schouder steunend, tot hij aan de sluis door een andere cipier, van wie hij de naam niet kende, werd overgenomen. De andere cipier was tamelijk nieuw. Meganck riskeerde het niet om hem aan te raken. Liever hield hij af en toe halt en steunde hij tegen de muur om op adem te komen. Hij woog te zwaar. Elke week leek er een kilo bij te komen. En hij moest al dat gewicht op één been torsen.

 


Bart Loos zat te wachten in de kamer waar gevangenen en hun advocaten ongestoord met elkaar konden praten. Op zachte toon weliswaar, want de muren hadden hier oren.
‘U weet waar de alarmknop staat, meester Loos?’
De cipier had een sterk Kempens accent.
‘Dank uw wel, mijnheer Van Schil, ik ben hier nog geweest,’ antwoordde Bart Loos met een toegeeflijke glimlach.
De cipier heette dus Van Schil. Die naam zou hij wel onthouden. Er was voor zijn tijd een coureur geweest die zo heette, een knecht van Eddy Merckx.
Ze schudden elkaar de hand. Meester Loos klapte de map met zijn dossier open, deed alsof hij las, zette een streepje onder een regel en een uitroepteken in de marge.


‘Ik wil die avond in de Magerhoek nog eens met u doorlopen,’ zei Loos.
‘Ik heb u al alles verteld wat ik weet, meester, en al meer dan één keer.’
‘Gommaar,’ zuchtte Bart Loos , ‘als ge denkt dat ik u op een schone zaterdagochtend als deze voor mijn plezier kom opzoeken, zit ge er naast. Maandag begint uw zaak voor serieus. Ieder detail kan van belang zijn. Doe uw best. Hoe meer gij uw best doet, hoe beter ik mijn werk kan doen. Oké?’
Hij keek zijn cliënt recht in de ogen. Meganck had de blik makkelijk en lang kunnen beantwoorden, als hij dat gewild had.
‘Oké, ik doe mijn best,’ zei hij op neutrale toon.
‘Woensdag, 2 november 2003, in de Magerhoek.’

 


‘Ik ben daar rond half acht ’s avonds aangekomen. Ge zaagt geen hand voor uw ogen door de mist. Het was al de derde of de vierde keer dat ik daar kwam leveren. Nog een geluk dat ik de weg een beetje kende, anders was ik zeker in het water gereden. Ik heb de auto in het begin van de straat geparkeerd, nog voor de splitsing, en ik heb op de deur van nummer 12 geklopt, dat is het laatste huis aan de achterkant. Bieke kwam bijna direct opendoen. Ze had het nodig, ik kon het zien aan haar ogen en aan haar trillende handen. Ik heb gevraagd of ze alleen thuis was. Ze zegde van ja. Ik heb ook geen andere geluiden gehoord, allez toch niet bij Bieke. Bij de geburen stond de tv aan, op Familie of op Thuis, ik sla die programma’s altijd dooreen. Ik vroeg haar of ze alleen was omdat er de vorige keer een of andere zot in de voorkamer woonde, of daar sliep, in alle geval. Die speelde zo luid muziek dat ge elkaar niet meer kondt verstaan. Allez, muziek, zo van dat gitaargeweld op maximumsterkte, hoe noemen ze dat.’


Bart Loos zei niets.


‘Die gast liep toen de hele tijd de achterkamer waar ik met Bieke zat binnen en buiten. Ik heb toen gevraagd of ze geen sleutel had van die deur. Ja, zei ze toen, maar ik heb ‘m ergens verloren gelegd. Die kerel klopte ook niet voor hij binnenkwam, die liep gewoon binnen. Volgens mij was die helemaal zot gechineesd, ik heb dat nog gezien. Die mannen hun hersens zijn helemaal uitgerookt. En toen Bieke mij aan het pijpen was, want ze had haar regels en in’t gat neuken doe ik niet graag, stoof hij binnen en maakte misbaar alsof hij de bedrogen echtgenoot was. Frank, heeft Bieke toen naar hem geroepen, ziet ge niet dat ik bezig ben, godverdoeme, ik bemoei mij toch ook niet met uw zaken. Maak dat ge buiten zijt. Misschien heb ik straks vijf minuten tijd voor u.’

 


Hij pauzeerde even en keek op zijn beurt meester Loos in de ogen. Maar Bart Loos was niet te choqueren. Die had al straffere verhalen gehoord.
‘Woensdag, 2 november.’
Meer zei Loos niet.

 


‘Bieke zei dus dat ze alleen was. We gingen naar haar kamer. Er lag daar een matras op de grond en er stond een wankel tafeltje met een stoel. Overal brandden er van die theelichtjes. Ik vroeg haar of ze goed te doen had. Want het is niet evident om de weg naar de Magerhoek te vinden. Och Gommaar, zei ze, als de venten heet staan vinden ze altijd de weg. Ze vertelde dat ze soms drie, vier matrozen tegelijk op bezoek kreeg. Komen die dan met de taxi? Nee, zei ze en ze moest lachen, dat zijn Filipino’s en ander bruin mannen, die hebben geen geld voor een taxi, die hebben maar juist genoeg om te kunnen neuken. Die komen te voet, die zijn soms een uur of twee onderweg. Ge soigneert ze dan toch wel goed? Heb ik gevraagd. Ge moogt gerust zijn, Gommaar. Als die mannen gepasseerd zijn is het precies alsof ik onder een camion gelegen heb. I

k heb horen zeggen dat Bieke nergens neen op zegt, dat die alles met haar eigen laat doen, zolang er maar boter bij de vis is. Voor mij moet ze geen speciallekes doen, als ik langs voor op haar kan kruipen is dat al spannend genoeg voor mij. Gaat ge nog beginnen, Bieke, heb ik haar gevraagd. Ze is op haar knieën gaan zitten en ze heeft mijn broek opengemaakt en naar beneden getrokken. Maar hoe hard ze mij ook pijpte, ik kon geen stijve krijgen. Niet dat ik geen goesting had. Ik zat al de hele dag aan de kut van Bieke te denken, en in de auto had ik nog een Viagra genomen, om zeker te zijn. Doe ik het niet goed, heeft Bieke met haar mond vol gevraagd. Ik heb niet geantwoord. Ik heb mijn ogen gesloten en gefantaseerd dat er drie Filipino’s tegelijk op Bieke zaten, in elk gat eentje. Dat hielp. Ik kreeg een stijve. En Bieke deed echt haar best, mijn lul zat bijna in haar keelgat, denk ik. Maar tegen de tijd dat ze haar kleren had uitgetrokken en met haar benen open op de matras was gaan liggen, was bibi ook gaan liggen.’

 


Opnieuw keek Meganck op. Op het gezicht van meester Loos was geen enkele emotie te bespeuren.

 


‘Bieke moet al gesmoord hebben voor ik daar aankwam, want ze kreeg de slappe lach. Bieke, heb ik haar gewaarschuwd, als het zo zit trek ik mijn broek op en kunt ge naar uw spul fluiten. Ze werd op slag serieus. Ik heb geloof ik al gezegd dat ze dringend om een shot verlegen zat, dat ik dat gezien had toen ik binnenkwam. Ze pakt mijn lul opnieuw in haar mond, maar het is hetzelfde liedje. Ze verslikt zich bijna van het lachen. Ik heb haar een paar peren gegeven, ik heb haar bij haar haar getrokken om haar bij de les te houden. Ik was van plan om een condoom aan te doen, want tussen al die matrozen zit er altijd wel een met een vuile ziekte, maar ik was al blij geweest als ik ‘m stijf genoeg had gekregen om in haar te komen. Ze bleef maar lachen.’

 

Meganck stopte even met praten en zuchtte diep. Niet uit effectbejag maar omdat hij zijn falen herbeleefde.

 


‘Ik had Bieke nog nooit zo gezien. Gij zijt geen vent, riep ze. Enfin, dat was geen roepen meer wat ze deed, dat was krijsen. Alle venten die hier komen, krijgen van mij een stijve, maar gij, gij met uw ene been, gij hebt een spel van caoutchouc. En ze trok aan mijn spel, precies of het was de flosch op de kermismolen. Toen ben ik razend kwaad geworden. Ik heb haar nog een paar kletsen gegeven, ik heb mijn broek uitgetrokken want ik dacht dat ik van kwaadheid wel een stijve zou kunnen krijgen. Ik heb mij met al mijn gewicht op haar laten vallen, ik heb haar benen uiteen gewrongen, maar ik had niks waarmee ik in haar kon komen. Dat was inderdaad een spel van caoutchouc. En Bieke maar lachen. Ik heb haar bij haar keel gepakt op haar een lesje te leren. Ik wilde haar straffen en dan weglopen. En nooit meer naar de Magerhoek terugkomen. Maar dan ben ik ineens helemaal aardig geworden. Ik kreeg een stekende pijn in mijn borst, mensenlief wat deed dat zeer. Mijn hart, dacht ik, dat is mijn hart. Het werd zwart voor mijn ogen. Ik heb Bieke losgelaten, ik heb geprobeerd om overeind te komen. Maar ineens was het gedaan. Het laatste wat ik weet is dat ik op Bieke heb overgegeven en dat zij iets riep in de trant van ‘smeerlap’ of ‘viezerik’. En toen ik weer bij zinnen kwam lag ik in het Stuyvenbergziekenhuis.’

 

Meganck was doodmoe toen hij opnieuw naar zijn cel werd gebracht. Om de paar minuten moest hij halt houden en uithijgen, met een hand tegen de muur steunend.
‘Volgens mij doet ge er een schepje bij, Meganck,’ zei de cipier die Van Schil heette ongeduldig. Het was etensuur geworden, ook voor de cipiers.
‘Ca va fiston?’ vroeg Didier M’Boenda bezorgd, ‘ ’t es pâle comme un mort.’
Hij had niets geantwoord. Hij was voor het laddertje naar zijn bed blijven staan, onmachtig.
Attend, je vais ’t aider,’ had zijn celgenoot gezegd. Voorzichtig – maar moeiteloos – had hij Meganck opgetild en op zijn matras gelegd.
Traag was de tijd voorbij gegaan. Didier was naar de wandeling gegaan en vol verhalen teruggekomen. Meganck had niet eens geveinsd dat hij luisterde. Didier was naar de douches gegaan en opgewekt babbelend en ruikend naar vrouwenzeep teruggekomen. Ook die verhalen lieten Meganck koud.
‘C’est pas le moment de devenire malade, mon ami,’ had zijn celgenoot gezegd.

Hij had aan hem geroken. Zoals geneesheren eeuwen geleden deden om de kwaal van een patiënt te achterhalen. Pas om negen uur ’s avonds had Gommaar Meganck voldoende fut om het trapje van het stapelbed af te dalen en zich naast Didier M’Boenda voor de televisie te installeren. Ze keken eerst naar het voetballen. Een wedstrijd uit de Spaanse competitie. Na een klein half uur viel hij in slaap op zijn stoel. M’Boenda kon hem nog net bij zijn schouder vastgrijpen of hij zou domweg met stoel en al om gevallen zijn. De pornofilm ging over twee meisjes die staan te liften en door vier jongens in een SUV met Hongaarse nummerplaat worden meegenomen.
 

 

copyright Louis van Dievel


 

Commentaar

1. kaat verdonck zegt ...

Holala! Heavy Stuff. Spreekt ge soms uit ervaring, Louis? :-)

Naam*
URL
Email*
Email adres wordt niet gepubliceerd!
Onthoud mij
Commentaar*

CAPTCHA
Geef de bovenstaande cijfers in