dinsdag 3 november 2009

Het leven van Albert (31)

 

31. Een kamer om in te sterven

 

Donderdag 14 mei. De schrijver heeft Albert twee dagen niet kunnen bereiken via de telefoon en maakt zich wat zorgen. In zijn kamer op de zesde verdieping blijken twee nieuwe bejaarde patiënten te liggen. Een aangesproken verpleegster weet te vertellen dat Albert in de loop van de middag verhuisd is naar de palliatieve afdeling, twee verdiepingen lager. Kamernummer onbekend.
De afdeling waar mensen komen om te sterven is een oase van rust. Er staan bloemen, het is er licht. Uit een half open deur weerklinkt zacht klassieke muziek. Wat een verschil met de zesde etage. Maar het blijft wel een ziekenhuis. De schrijver durft niet zomaar een kamer binnen te gaan en wacht op iemand van de verpleging.
‘Bent u familie?’ informeert een bijzonder vriendelijke verpleegster.
‘Neen,’ antwoordt de schrijver, ‘ik ben zijn beste vriend.’

 


Hij schrikt van zijn eigen antwoord. Is dat werkelijk zo? Ook de verpleegster vraagt het zich af. De patiënt en de bezoeker schelen tenslotte 36 jaar in leeftijd. Maar ze leidt hem toch naar de laatste deur rechts. Daar ligt Albert, bovenop zijn nieuwe bed, nog wat onwennig. Hij is nog kleiner, nog geler geworden.
‘Als ge hier ligt, dan weet ge het wel zeker hé Louis?’
Het is een retorische vraag. Toch knikt de schrijver. Ze kennen elkaar intussen te goed om elkaar blaasjes wijs te maken.
‘Het is hier goed, jong, véél beter dan daarboven!’
Volgt een verhaal over eten in vuile borden en een verpleegster die snauwde dat vuile borden niet haar verantwoordelijkheid waren. Een dame die de hoofdverpleegster van de palliatieve afdeling blijkt te zijn komt even poolshoogte nemen. Opnieuw die vraag: of de bezoeker familie is? De schrijver antwoordt deze keer dat hij de biograaf van mijnheer Tytgadt is, dat hij een boek schrijft over zijn leven. Albert heeft nog niet de tijd gehad om die mare op zijn nieuwe afdeling te verkondigen. De hoofdzuster glimlacht. Als de bezoeker koffie wil, het is heus maar een kleine moeite, verzekert ze hem. Hij is vers, de koffie.

 


Albert vraagt of het stoort dat zijn zoon straks op bezoek komt. Terwijl de schrijver van neen schudt - hij wil niet liever dan de zoon ontmoeten - gaat de telefoon. Het is Julien, begrijpt de schrijver al gauw uit het verloop van het gesprek.
‘Neen, jongen, ’t is goed, ik zie u dan morgen wel.’
Het klinkt berustend. Julien moet onverwacht nog een klant naar de gesloten instelling van Everberg voeren. Albert neemt het hem niet kwalijk. Het is eigen aan de stiel van een chauffeur met het gerecht als belangrijkste opdrachtgever en kleine en grote boeven als klant. We praten wat. Na een half uur neem ik afscheid.
‘Wanneer komt ge terug, Louis? Ook als ge maar een minuutje blijft, ben ik al content.’

 


Zaterdag 16 mei. Na zijn werk bij de openbare omroep passeert de schrijver nog even langs het Middelheimziekenhuis. Het is maar een kleine omweg. Albert ligt in foetushouding op het bed. Hij slaapt, slaapt diep. De schrijver heeft een boek bij zich en leest, kijkt af en toe naar de slapende Albert. Er komt een verpleegster kijken. Altijd weer die vraag. Of de bezoeker familie is.
‘Ik ben een vriend,’ antwoordt de schrijver deze keer iets bescheidener.
De luide stem van de verpleegster - te luid voor deze afdeling – doet Albert ontwaken. Hij wordt uit een droom gerukt, weet niet waar hij is. Hij kijkt angstig. Zijn rechteroog zit dicht. Het duur lang voor hij tot rust komt. Hij houdt de handen van de schrijver vast, wil niet loslaten.
‘Ge komt toch nog?’

 


Maandag 18 mei. Eindelijk ontmoet de schrijver Julien, de enige zoon van Albert. De begroeting is hartelijk. Julien verwondert zich nergens over. Hij is een chauffeur, een plantrekker, een no nonsense man. Op een of andere manier gaat het gesprek al vlug over de koers. Julien was lang geleden een beloftevol wielrenner, reed zelfs een jaar bij de beroepsrenners. Vond van zichzelf dat hij toch niet genoeg talent had om het te maken als prof, wilde ook geen pillen nemen. In die tijd, in de jaren zestig, namen alle coureurs doping. De schrijver was als kleine jongen al bezeten van de koers, hij en Julien raken in een geanimeerde discussie over die en die en die. Het is niet naar de zin van Albert, die letterlijk aan de mouw van de schrijver trekt. Hij vindt dat alle aandacht naar hém moet gaan. De schrijver moet in zichzelf lachen. Albert, ouwe zot.
Het gesprek gaat ook over vriendin Jenny. Er is een advocaat ingeschakeld.
‘Maar uiteindelijk zijt gij de oorzaak, hé pa.’
Albert knikt bedremmeld van ja.

 


Wanneer een verpleger de kamer binnenkomt om met plastic handschoenen allerlei onnoemelijke handelingen te verrichten, nemen de zoon en de schrijver samen afscheid.
‘Tot morgen, pa.’
‘Tot een van de dagen, Albert.’
Ze wachten samen op de lift.
‘Waarom kunnen ze zo’n oude mensen geen spuitje geven?’
Het is niet harteloos bedoeld en het klinkt ook niet zo. Julien is een realist. Zijn vader heeft zijn tijd gehad. Oude mensen moeten toch niet nodeloos lijden.

 


Twee dagen later ontvangt de schrijver rond elf uur een sms’je:
‘Het is om te melden dat mijn vader Albert vanmorgen omstreeks 6u30 overleden is.’
En wanneer de schrijver ook per sms informeert naar plaats en tijdstip van de begrafenis:
‘Hij heeft maandag toch nog een goede babbel gehad met ons.’
Het is waar. Het was maandag gezellig op kamer 464.

 

 

Commentaar

1. jos kenis zegt ...

Wanneer komt het boek uit?
vriendelijke groet,

Jos

Naam*
URL
Email*
Email adres wordt niet gepubliceerd!
Onthoud mij
Commentaar*

CAPTCHA
Geef de bovenstaande cijfers in