zaterdag 19 september 2009

Het leven van Albert (29)

 

 

29. Slecht nieuws

‘Louis, ik ben terug thuis. Ge komt toch zaterdag? Ik heb veel nagedacht, ik heb veel te vertellen!’
Albert is aan de telefoon. Het is woensdag 18 februari. Natuurlijk zal de schrijver present zijn.

Hij is vroeger dan verwacht op de afspraak en treft Jenny aan. De handdruk van de schrijver is te stevig. Met een kreetje van pijn trekt ze haar hand terug. Antwerpse vrouwen beginnen vanaf een zekere leeftijd allemaal op elkaar te lijken. Ze laten zich blonderen en ze gaan te vaak onder de zonnebank. Ze dragen te veel juwelen. Jenny ziet er veel jonger uit dan 70. Ze heeft een hard gezicht, een harde stem ook. Ze ‘commandeert’ Albert, herinnert hem aan de medicatie die ze voor hem is gaan halen bij de apotheker. Hij mag niet vergeten te eten, ze is voor hem inkopen gaan doen. Albert laat het zich allemaal welgevallen. Hij doet toch wat stoer . Een puber van bijna 92.

 


‘Allez, de gendarme is weg, we kunnen beginnen.’
Hij eet amper van wat zijn vriendin in huis heeft gehaald. Hij wil geen tijd verliezen, hij wil vertellen. Maar als de schrijver de bandrecorder heeft aangezet.
‘Zet dat ding nog even af, Louis, er is ook slecht nieuws.’
De dokters in het Middelheimziekenhuis hebben ‘vlekjes’ ontdekt op zijn longen en op zijn lever. Kanker.
‘Het zal traag gaan, hebben de dokters gezegd, het kan nog een jaar of twee jaar duren voor ik er iets van voel.’


Naarstig doen de verteller en de schrijver voort. Bandje na bandje wordt vol gepraat. Albert herhaalt veel. De schrijver onderbreekt hem nog maar zelden. Want af en toe brengt het ene woord het andere, de ene herinnering de andere mee, kan er weer een stukje van de puzzel van zijn leven worden gelegd Maar er zitten en blijven grote gaten in zijn geheugen. Over zijn verblijf in de gevangenissen van Essen en Bochum kan hij zich amper iets herinneren. Idem over de reis van Krakau naar Odessa. Albert heeft zijn herinneringen te lang moeten ophouden. Veel is door de tijd verweerd en vergaan.

 

Ze sluiten een overeenkomst af, op papier, voor het geval dat Albert zou komen te overlijden voor het boek verschijnt. Tegelijk lachen ze met de dood.
‘Als we dat boek nu eens lieten eindigen met ik die de Mont Ventoux beklim op mijn koersfiets, Louis? Dat zou toch een geweldig slot zijn. Als ik mij zo goed blijf voelen, wil ik dat toch proberen.’

 


Ondertussen verslechtert de relatie met zijn zoon Julien zienderogen. Albert kan er niet over zwijgen over hoe hij zijn zoon heeft terechtgewezen bij diens laatste bezoek. De schrijver hoedt er zich voor zich in de familiekwestie te mengen. In een map vol papieren , paperassen en bewijsstukken vindt hij het klad van een bittere brief aan zijn zoon. Iemand anders heeft er, met een andere pen en in een ander geschrift, allerlei weinig fraais aan toegevoegd. De schrijver weet niet of de brief ooit echt is verstuurd. Hij hoopt van niet. In de map zit ook een schriftje waarin Albert Tytgadt gepoogd heeft om , in grote hanenpoten, zelf zijn herinneringen op te schrijven.
‘Als ik ’s nachts niet kan slapen, dan schrijf ik op wat er mij te binnen schiet over vroeger.’

 


Slapeloosheid kwelt hem steeds vaker. Dan staat hij op, doet turnoefeningen (Albert is verrassend lenig en soepel) , schrijft iets, tobt, spreekt luidop tegen zichzelf, vraagt zich af of hij goed of correct heeft gehandeld, gaat weer naar bed, probeert de slaap te vatten. Wordt ’s morgens dan wakker met een suffe kop en hoofdpijn.
Eten doet hij haast niet meer. De schrijver ziet hoe hij met veel moeite en na veel aandringen een halve banaan opeet en een glas water drinkt. Albert vermagert zienderogen.
Op een zaterdag, eind april, arriveert de schrijver net op het moment dat Albert Tytgadt zijn Jenny uitlaat. De schrijver is deze keer wat voorzichtiger met zijn handdruk. Onhoorbaar voor Albert zegt ze dit:
‘U zult zich moeten haasten want het gaat slecht met hem.’
Ze heeft gelijk. Albert raakt snel vermoeid. De rustpauzes worden langer. Alles is min of meer verteld. Albert en de schrijver bladeren in fotoalbums. Vergeelde afdrukken van het kapsalon annex café in Leopoldsburg, Albert als coureur, Albert fier op zijn motorfiets. Veel snapshots met Liza van de vele en lange vakanties in het zuiden van Frankrijk. Every picture tells a story.


Bij het afscheid houdt Albert lang de arm van de schrijver vast.
‘Allez, de groeten aan madame en aan uw dochter. En ge komt toch volgende week, hé Louis, ge komt toch?’

copyright Louis van Dievel

Commentaar

Naam*
URL
Email*
Email adres wordt niet gepubliceerd!
Onthoud mij
Commentaar*

CAPTCHA
Geef de bovenstaande cijfers in