Het leven van Albert (27)
27. Een ontmoeting op de Boekenbeurs
Begin november 2008 hoort Albert Tytgadt op de radio reclame maken voor de Antwerpse Boekenbeurs. Hij ligt de laatste maanden ’s nachts vaak wakker, vaker dan hem lief is, en dan denkt hij over wat hij allemaal heeft meegemaakt in zijn leven; dan tobt hij over de vraag of zijn leven de moeite is geweest; dan bekruipt hem de vrees dat met zijn dood – want sterven moeten we allemaal - alle herinneringen aan zijn oorlogsjaren verloren zullen gaan. Want daar gaat het Albert om: er moet iets van hem overblijven.
Op zondag 2 november neemt hij de tram naar de Jan Van Rijswijcklaan. Het is een rustige dag op de boekenbeurs en Albert wandelt op zijn gemak rond. Het loopt al tegen vijf uur wanneer een eenzame schrijver hem opvalt aan de stand van Colibro, het samenwerkingsverband van de zelfstandige boekhandels . De schrijver zou het gezelschap van Tom Naegels moeten hebben maar die had zich van dag vergist.
‘Ik zag hoe gij een boek tekende voor een dame. Gij waart vriendelijk tegen die dame. Gij hadt grijs haar en ge zaagt er uit als een serieuze mens. Ik dacht bij mijzelf: die zal wel iets van de stiel afweten. Daarom heb ik u aangesproken.’
‘Over mijn leven kunt ge een boek schrijven!’ zegt Albert tegen de schrijver in de wereldtaal die het Antwerps is.
Van de hak op de tak
‘Ojee,’ denkt de schrijver, maar beleefd als hij is luistert hij naar wat de onbekende bezoeker te vertellen heeft.
Albert vat een verhaal aan over hoe hij in een Duits concentratiekamp een stal met varkens ontdekte en hoe hij probeerde om er een dood te slaan en te slachten. Hoe hij een bewaker vroeg om hem dood te schieten en hoe de Duitser hem buiten westen sloeg met zijn schop. Hij springt van de hak op de tak en van de Antwerpse Begijnestraat naar het kamp van Blechhammer en terug.
‘Mag ik niet naast u zitten?’ vraagt Albert aan de schrijver, ‘ik ben al 91 jaar en ik kan niet zo lang rechtop blijven staan.’
De stoel naast de schrijver is onbezet en dus nodigt de schrijver Albert met een gebaar uit om naast hem plaats te nemen. Er volgt nog een stortvloed van anekdotes en verhalen, waar de schrijver met welwillende en groeiende belangstelling naar luistert. Hij houdt van goede verhalen. Sterker: hij kan niet aan een goed verhaal weerstaan. En dus maken Albert Tytgadt en Louis van Dievel, want zo heet de auteur, een afspraak. De schrijver zal rond de Kerst, wanneer hij terug is van vakantie, contact opnemen met Albert Tytgadt. Het adres en het telefoonnummer worden genoteerd. Het best kan er op de middag gebeld worden, want in de voormiddag speelt Albert biljart in zijn stamcafé. Ze nemen afscheid. Albert koopt geen boek. Van lezen valt hij in slaap, zegt hij ter verontschuldiging.
Belofte maakt schuld
De schrijver gaat met vakantie. Terug in het land en terug op zijn werk belt hij een paar keer het telefoonnummer dat hij van die Tytgadt gekregen heeft. Geen antwoord. De schrijver haalt zijn schouders op: dringend is het allemaal niet. Maar dat is buiten de vasthoudendheid van Albert gerekend. Wanneer de schrijver niets van zich laat horen, klimt hij op zijn koersfiets en rijdt van de Groenenhoek in Berchem naar de Vrijheidsstraat in Antwerpen-Zuid, waar uitgeverij Houtekiet gevestigd is. Hij gaat er geredelijk van uit – en waarom ook niet – dat alle schrijvers van de uitgeverij daar achter hun computer zitten en boeken schrijven. Greet van Houtekiet die op de bewuste dag de deur opent (omdat er niemand anders aanwezig is, het is in de kerstperiode) maakt op haar beurt kennis met de stortvloed aan woorden die Albert Tytgadt is. Ook zij laat zich overdonderen en begeesteren. Zij belooft Albert Tytgadt om contact met de schrijver op te nemen en hem aan zijn belofte te herinneren, wat zij ook doet zodra Albert de deur uit is.
Een kennismakingsgesprek
Op een zaterdag in januari, de tiende januari om precies te zijn, belt de schrijver aan op het nummer 239 van de Gitschotellei, voor een ‘kennismakingsgesprek’. Er zijn inmiddels twee maanden verlopen sinds de kortstondige ontmoeting op de boekenbeurs. De schrijver heeft beloofd dat hij zal luisteren. Hij is met een taxi gekomen omdat hij (nog) niet vertrouwd is met de tramlijnen. Het is stikheet in de sobere en zelfs wat sjofele woonkamer van Albert Tytgadt. De schrijver krijgt koffie, spuitwater, cola, bier, wijn en goedkope whisky onder de neus geduwd, en koekjes. Albert steekt opnieuw van wal met zijn oorlogsverhalen. Vertelt ook over zijn jeugd. Zijn mislukte carrière als coureur. Zijn vader, zijn moeder, zijn broer Julien. Zijn Jenny. Laat zich niet graag onderbreken. De schrijver maakt driftig notities en bedenkt dat hij de volgende keer zijn recordertje zal meebrengen. Want er komt een volgende keer. Het klikt tussen de twee.
‘Ik denk dat wij goed gaan overeenkomen, Louis’.
Van mijnheer Tytgadt en mijnheer Van Dievel zijn ze aan het eind van de eerste zaterdagmiddag al afgestapt, zoals u merkt.
Albert Tytgadt en de schrijver maken een afspraak. De tweede zal iedere zaterdag bij de eerste langskomen en luisteren naar het levensverhaal van Albert. Albert zal proberen om zijn leven in chronologische volgorde in te delen en na te vertellen, te beginnen bij zijn jeugd in Leopoldsburg. Waar ze uitkomen, zullen ze wel zien. De schrijver belooft dat hij het levensverhaal van Albert waarheidsgetrouw zal neerschrijven en er een boek van zal maken.
Grappend spreken ze bij het afscheid af dat Albert in leven moet blijven tot wanneer het boek verschijnt. Het is geen onrealistische afspraak want Albert Tytgadt lijkt één brok energie.
De volgende zaterdag staat de schrijver opnieuw aan de deur van Albert Tytgadt. Talloze malen onderbreekt de schrijver het relaas van Albert, om hem op het afgesproken spoor te houden. Albert raakt eraan gewend. Maar van harte is het niet. Albert heeft haast, haast om alles te vertellen wat hij zich maar kan herinneren.
‘Mag ik nu voort vertellen?’
copyright Louis van Dievel