Het leven van Albert (25)
25. ‘Een reddende engel’
En opnieuw zit Albert in de Wilson, met de maat die geprobeerd heeft om hem opnieuw onder de mensen te brengen. Er passeert een pront vrouwmens in een kort rokje.
‘Kijk, zegt mijn maat, die dame ken ik al heel mijn leven. Dat is er een met karakter. Zal ik haar eens binnenroepen?’
Aldus geschiedt. De dame in kwestie heet Jenny. Ze is vooraan in de zeventig. Er wordt gebabbeld over koetjes en kalfjes.
‘Ik keek naar haar billen. Ik dacht bij mezelf: dat is verdomme kwaliteit. Maar het kwam niet in mij op om te avonturen.’
Er worden telefoonnummers uitgewisseld. Je weet maar nooit of dat van pas komt. Een paar weken later ligt Albert na de middag in de zetel. De ochtend heeft hij, zoals altijd, in de Wilson gepasseerd met een koffietje en één of twee Leffes. Bij zijn middageten heeft hij een goed glas wijn gedronken. De avond tevoren een whisky. Dat was zo een dagelijkse routine geworden.
‘Mijn hoofd draaide niet. Ik voelde mij niet zat. Maar mijn bloeddruk was zodanig hoog dat ik niet meer uit de zetel kon opstaan. Ik duwde in paniek op een nummer op mijn gsm en ik kom bij Jenny terecht. Ze is meteen naar de Gitschotellei gekomen en ze heeft een ambulance gebeld. In feite heeft Jenny mijn leven gered. Ik was er bijna aan en ik had daar nog acht dagen kunnen blijven liggen.’
Jenny ontfermt zich over Albert, zoals ze zich over nog andere heren op leeftijd ontfermd.
‘Ja, zo is Jenny hier binnen gesukkeld hé, zo ben ik aan haar blijven plakken.’
Na enkele dagen is Albert opnieuw thuis. Maar hij leest de lijst van de medicamenten die hij moet innemen verkeerd. Hij neemt te veel pillen en in de verkeerde volgorde. Albert raakt buiten bewustzijn. Wanneer hij de volgende ochtend ontwaakt, is het alsof er een storm door de woonkamer heeft geraasd. Alle meubels liggen overhoop. De kaders zijn van de muren gerukt. Hij ziet helemaal blauw. Hij moet helemaal buiten zichzelf geweest zijn door die pillen, beseft Albert. Opnieuw is Jenny de reddende engel. Ze voert hem zelf naar het ziekenhuis, in haar Mercedes Sport,waarmee ze maar 1000 kilometer per jaar rijdt. Jenny is een welstellende weduwe.
En zo beginnen die twee een relatie. Jenny doet boodschappen voor Albert, ze gaat naar de supermarkt en de apotheek, ze controleert of hij wel goed eet, ze zit hem het algemeen achter de vodden. Albert laat het zich welgevallen.
‘Ze dacht dat ze nog maar twintig jaar was, zo van die korte rokjes droeg ze. Ik zei altijd jazeker Jenny, natuurlijk Jenny tegen mijn gendarme, en daarna deed ik mijn eigen goesting.’
Maar dat is stoere mannenpraat, want wanneer hij met haar belt is het Jenny’ke van hier en Jenny’ke van daar en klinkt er tederheid in de stem van Albert. Hij is echt op haar gesteld. Hij vertrouwt haar. Zodanig zelfs dat hij haar zijn bankrekening toevertrouwt. Hij treitert zijn familie met de relatie, dreigt ermee Jenny in zijn testament te zetten. Stookt zij hem op? Ik weet het niet zeker. Een verbitterd man is hij.
‘Toen ik de beenhouwerij nog had, was ik daar bijna dag en nacht mee bezig. Maar ik maakte altijd tijd om mijn ouders te bezoeken, en vooral ons moeder, toen die alleen was gevallen. Ons moeder had zoveel gedaan voor mij, ik kon die toch niet laten stikken. Maar de jonge mensen doen dat niet meer. Dat is van vroeger, zeggen ze dan.’
copyright Louis van Dievel