zaterdag 15 augustus 2009

Het leven van Albert (24)

 

 

24. Als Lisa sterft…



Het ondenkbare gebeurt: Lisa krijgt een beroerte. Zij die nooit ziek is geweest. Zij die nog de grand écart deed toen ze al 80 was. Zij van wie de huisdokter vroeg of ze soms in een circus was grootgebracht. Zij die altijd lachte , die niet zonder lachen kon en altijd goed gezind was. Net zij valt bewusteloos na een hersenbloeding.
‘Lisa heeft twee en een halve maand in het gasthuis gelegen, ze kon niet meer spreken, ze lag daar maar. Al die tijd heb ik van ‘smorgen vroeg tot ’s avonds laat bij haar gezeten.’
Op 20 november 2004 sterft ze.
Ze wordt verast. Haar urne wordt bijgezet op het kerkhof van Berchem, vlakbij het Middelheimziekenhuis.


Op de koffie na de begrafenis loopt het grondig fout. Wel tien keer zal Albert Tytgadt het verhaal vertellen. Iedere keer klinkt er woede in zijn stem.
‘Mijn schoondochter kwam naar mij. Pa, zegt ze, we zullen voor u eens naar een home uitkijken. Ge zult u moeten inschrijven op een wachtlijst. Dat houdt ge toch niet voor mogelijk: ik in een home?!’
Het heeft nooit geklikt tussen schoonvader en schoondochter, laat ik het daar bij houden.
‘Ik ben van goeie wil geweest en ik ben mee gaan kijken naar een serviceflat. Dat was niets voor mij. Het zat daar vol oude mensen die klaagden over hun pensioen en over hun ziektes. Ik had hier thuis mijn gewoontes. Ik kon mijn plan trekken. Ik kreeg hulp van het OCMW, poetshulp en warme maaltijden en een alarmknop, daarmee was ik gesteld.‘

 


Albert Tytgadt zinkt weg in een diepe depressie. Hij is niet voorbereid op een leven zonder Lisa. Haar dood geeft hem een zwaardere klop dan de jaren in het concentratiekamp gedaan hebben.
‘Anderhalf jaar heb ik hier met mijn kop op de tafel gelegen. Anderhalf jaar! En er was niemand die naar mij omkeek. Af en toe kwam mijn zoon eens op bezoek. Het eerste wat hij deed was de tv aanzetten. Gesproken werd er niet.’
De enige plek waar hij verstrooiïng vindt is de Wilson, het café op de hoek. Hij wordt er aangesproken door een kennis.
‘Allez, Albert, zei die persoon, zit gij nu altijd zo alleen? Ga eens mee met mij, dat ge uw zinnen eens kunt verzetten. Ik zal u komen halen met de auto.’
De kennis neemt Albert mee naar een dancing op de steenweg van Antwerpen naar Mechelen, de Misty.
‘Die dancing zat vol oude mensen. Mijn kennis kende iedereen daar. Allez dans toch een keer, Albert. Er waren daar wijvekes genoeg om mee te dansen, maar ik had er geen goesting in.’
Een poosje later doet de kennis een tweede poging om Albert onder de mensen te brengen.
‘We gaan toch niet meer naar die dancing hé, vroeg ik. Nee nee, zei mijn kennis, ge moogt gerust zijn.’
Ze rijden naar Brasschaat, naar een grote villa die achterin gelegen is. Er staan allemaal chique auto’s geparkeerd voor de deur.
‘Kijk, zei mijn maat, ge kunt kiezen tussen de dame van de Jaguar of de dame van de Porsche. Maar ik ben niet naar binnen willen gaan.’
Er volgt nog een derde poging tot sortie, naar een etablissement aan het Rivierenhof in Deurne waar een portier beslist wie binnen mag en wie buiten moet blijven. Zelfde scenario: Albert past. Ook het geduld van de kennis raakt uitgeput. Nochtans is hij het die Albert nog later in contact zal brengen met Jenny, die zijn vriendin zal worden. Maar zover zijn we nog niet.

 


In maart van 2006 besluit hij nog eens naar het zuiden van Frankrijk te reizen, naar de camping in Agde waar hij met Lisa zo gelukkig is geweest. Hij is dan 89 jaar oud.
‘Ik wilde een keer goedendag gaan zeggen tegen de mensen op de camping.’
Hij zwerft in zijn Renault Espace van Montecarlo naar Nice, van Saint-Rafael naar Toulon. Hij zit alleen te zijn in hotelkamers. Uiteindelijk belandt hij toch in Agde.
‘Ik informeerde op het bureau van de camping naar Claudine, de eigenares. Elle est morte, kreeg ik als antwoord. Bijna iedereen die we in Agde gekend hadden, was overleden. Ik ging van het ene kerkhof naar het andere. Katholiek ben ik niet, maar ik heb naast de graven toch een kruis geslagen en gebeden.’
Hij kan logeren bij Michel, de schoonzoon van de campingeigenares.
‘Een hele toffe kerel, die is later hier bij mij thuis nog op bezoek geweest.’
Maar er is niets dat hem nog in het zuiden houdt. Albert keert terug naar Berchem. De reis heeft hem nog depressiever gemaakt. En ziek.


Hoewel hij wijzer zou moeten zijn, keert hij in september van 2008 een laatste keer terug naar Agde. Zijn reisgezel is een Canadees die hij kent uit de Wilson. Ze doen fifty fifty voor de huur van een caravan en de benzine van de Renault Espace. Het wordt een grandioze mislukking.
‘Zelf durfde ik alleen nog maar overdag rijden. En niet te lang na elkaar. Ik gaf het stuur over aan die Canadees, maar hij was een gevaar op de weg. Hij reed gelijk een zot, ik begrijp nog altijd niet hoe ik levend ben thuis geraakt. Ginder in Agde zaten we ons maar te dood te vervelen in de caravan. De Canadees wilde niet mee gaan fietsen. Er moest altijd muziek opstaan en babbelen wilde hij niet. En ik wilde fietsen en babbelen en geen muziek. ’


copyright Louis van Dievel

Commentaar

Naam*
URL
Email*
Email adres wordt niet gepubliceerd!
Onthoud mij
Commentaar*

CAPTCHA
Geef de bovenstaande cijfers in