zaterdag 8 augustus 2009

Het leven van Albert (23)

 

23. Leven als god in Frankrijk



Het is 1976. Een kleine twee jaar eerder heeft de socialist Freddy Willockx de pensioenregeling voor zelfstandigen aanzienlijk verbeterd. Albert Tytgadt ‘trekt’ niet veel pensioen, maar hij heeft een gevuld spaarvarken en een invalidenpensioen. De beenhouwerij in de Guldenvliesstraat wordt verkocht, ik heb u dat op  het eind van hoofdstuk 18 uit de doeken gedaan.
Albert en Lisa verhuizen naar de woning in de Gitschotellei, aan de Groenenhoek in Berchem. De bouw van dat huis heeft nogal wat voeten in de aarde gehad.
‘De aannemer had het villake van mijn ouders in Sint-Job gebouwd, die waren daar heel content over. Maar aan de Gitschotellei was het precies de processie van Echternach. Dat bleef maar duren. Dat raakte daar niet af. Toen ging die aannemer zogezegd failliet. Hij had een huis met een balkon gebouwd aan het Boekenbergpark , dat balkon was naar beneden gekomen en iemand die eronder liep was morsdood. Een aannemer uit Geel heeft dan de bouw afgemaakt.’



Zijn vader houdt beneden nog enkele jaren kapsalon. Albert en Lisa wonen boven, op de tweede verdieping. Het is er wat krap maar dat geeft niet, want ze zijn maar weinig thuis. Waar ze vroeger – in de tijd van de beenhouwerij - in de zomer voor twee volle maanden naar het Zuiden van Frankrijk vertrokken, blijven ze nu een half jaar weg. Sint-Rafaël, Porquerolles, Toulon. Van april, mei tot eind oktober. Later vinden ze een vaste plek, in Agde, vlakbij de Middellandse Zee. Van zodra de camping in Agde opengaat staan ze daar. Albert en Lisa huren een stacaravan op een perceel van tien op tien met bomen. Het is een naturistencamping maar Albert bezweert dat hij zijn zwembroek altijd heeft aangehouden.



‘Ik ging daar fietsen in de bergen of naar de koers kijken . Lisa ging mee naar de koers of ze fietste op haar eentje of ze ging zwemmen. Lisa kon geweldig goed zwemmen, die zou in een plas water gedoken hebben.’
Zijn vrouw had een geweldige tijd tijdens die lange vakanties. Albert zegt het zo vaak dat je eraan gaat twijfelen.
‘Lisa moest niet koken. Een keer of twee keer in de maand aten we op restaurant, ik ging bijna alle dagen naar de traiteur om paella of naar een goeie beenhouwer die bereide schotels prepareerde, ze moest dat eten maar opwarmen. Ben ik dan een slechte man?Als wij naar de koers gingen in Gap of Toulouse, dan bleven we op hotel slapen. Als gij mijn vrouw zijt, zoudt gij dan reclameren? Dan zoudt gij toch wel een stommerik zijn.’


Halverwege de zomer rijden ze één keer terug naar België, ‘om te zien of alles er nog staat’.


Het fietsen doet Albert geweldig veel deugd. Niet alleen omdat hij af en toe veel jongere kerels ‘eraf’ kan rijden als het bergop gaat, maar vooral omdat hij amper nog gezondheidsklachten heeft. Vergeten zijn de overbruggingen uit zijn laatste beenhouwersjaren. Ook in zijn hoofd gaat het veel beter. Hij kan genieten. Eindelijk.

 


In de winter zijn ze thuis. De ouders van Albert zijn verhuisd naar een appartementje in de buurt, Albert en Lisa bewonen nu het gelijkvloers, het vroegere kapsalon. Ze ontwikkelen er een aangename routine.
‘Lisa zei ’s morgens altijd: ga maar biljarten. En terwijl ik in de Wilson de tijd passeerde aan het biljart, bracht zij het huis op orde en kookte ze warm eten. Na de middag namen we de tram naar de stad en gingen we een wafel eten. Of we stapten al eens een museum binnen als er iets bijzonders te zien was. Of we spraken daar af met kennissen. De laatste jaren reden we na het middageten naar het Shoppingcenter in Wijnegem. Daar was het altijd goe warm en wij wandelden daar langs de boetieks en wij dronken een koffietje.‘
Voorts is er de gazet en de tv. En ze doen klapkes. Afijn, Albert voert het woord en Lisa luistert.


‘Zestig jaar getrouwd en geen enkele keer is er een scheef woord tussen ons gevallen. Hoeveel huwelijken zijn er zo, Louis?!’


Uitgaan doen ze weinig. Er is één vaste afspraak: het bal van de Vette Os in de stadsfeestzaal, waar geen enkele beenhouwer mag ontbreken. Ze gaan er samen met een bevriend koppel naartoe: Leon Plaquet en zijn vrouw Roza.
‘Leon was een keer naar de zee gegaan en hij was in de volle zon in slaap gevallen. Hij was helemaal verbrand. Maar ook zijn hersenen waren gekookt. Lisa en ik gingen die bezoeken in het ziekenhuis, en later in het zothuis, want Leon was niet meer handelbaar. Zijn kinderen zagen niet naar hun vader om. Hij is gestorven in Stuivenberg. Later , toen zijn weduwe Roza in het ziekenhuis lag, gaf ze haar kinderen een volmacht op de bankrekening. Die haalden al het geld eraf! Roza moest later op een armzalig appartementje gaan wonen. Ze bezat niks meer. Als ze een keer peperkoek kon eten was het feest.’
Waarop Albert de profetische worden spreekt:
‘Zoiets zal mij niet overkomen, daar moogt ge gerust van zijn.’


copyright Louis van Dievel

Commentaar

Naam*
URL
Email*
Email adres wordt niet gepubliceerd!
Onthoud mij
Commentaar*

CAPTCHA
Geef de bovenstaande cijfers in