Het leven van Albert (16)

16 . Terug naar huis
Reizigers zonder bagage zijn ze, Albert en Jacques en honderden anderen die door het Rode Kruis in Krakau worden geregistreerd en op een trein worden gezet. Waar naartoe, dat komen ze niet te weten. Vijf dagen duurt de treinreis. Het is lente, 1945. Albert herinnert zich weinig van de rit doorheen het door oorlog geteisterde landschap van de Sovjet-Unie. Ze komen aan in een havenstad. Van Odessa, parel van de Zwarte Zee, heeft hij nog nooit gehoord. Dat hij en zijn makkers opnieuw in een kazerne gelogeerd werden, dat weet hij nog, en dat ze moeten wachten. Wachten, dat zijn ze inmiddels gewend. Eén herinnering toch: een bezoek aan het operagebouw, waar tapijten liggen waar je voeten in wegzinken, zo dik.
De havenstad is de spil van een trafiek in mensen tussen de geallieerden. Zoveel Russische gevangenen als er terugkomen uit het westen, zoveel Fransozen en weet ik veel meer willen de Russen op hun beurt lossen . Albert en Jacques kunnen nog mee met de Stephenson, een troepentransportschip dat een lading Russen heeft thuisgebracht en evenveel arme drommels naar Frankrijk mag verschepen. Wie niet mee kan met de Stephenson heeft pech, want na de afvaart houdt de ruilhandel op. Er zijn Poolse vrouwen aan boord gesmokkeld, die proberen met hun schamele charmes een Fransman of een Belg aan de haak te slaan. Alles is beter dan achterblijven.
Het schip telt vier tussendekken. Honderden hangmatten vormen het enige meubilair. Albert zoekt een plekje helemaal onderaan, waar hij het minst last heeft van het deinen van de Stephenson op de golven. Als het schip al een keer zou zijn schoongemaakt tussen de reizen in, wat Albert betwijfelt, dan is daar enkele uren na de afvaart al niets meer van te merken. Overal liggen er plassen braaksel van zeezieke passagiers. Er hangt een doordringende stank van uitwerpselen.
‘Als ge naar boven wilde, naar het dek, dan kondt ge niks vastpakken , geen klink of geen leuning, of het spouwsel plakte aan uw handen. En met die vuile handen moest ge dan eten.’
Maar voor de rest is het een mooie reis. Langs Istanboel en de Dardanellen, helemaal rond Griekenland, voorbij Napels, tot in Marseille, de eindbestemming. Albert staat vaak aan dek en denkt aan thuis, al kan hij zich daar nog moeilijk iets bij voorstellen. De band met zijn makker Jacques wordt losser. Ze hebben elkaar niet meer nodig om te overleven. In Marseille nemen ze afscheid.
‘Allez, salut.’
‘Porte-toi bien.’
Meer niet.
De Poolse vrouwen krijgen te horen dat ze niet van boord mogen, dat ze terug moeten, terug naar af. De mannen op wie ze hun hoop hadden gesteld, halen hun schouders op.
‘Allez, wat hadden die wijven nu gedacht.’
Het schip meert bij dageraad aan en ’s avonds vertrekt de trein naar België al, zo goed is de terugkeer van de oud-gevangenen inmiddels georganiseerd. Er lopen in het station van Marseille ambtenaren met armbanden gewichtig te wezen. Ze hebben mappen met namenlijsten en op een van die lijsten prijkt de naam van Albert Tytgadt.
‘Allez, pousse-toi, le train va partir.’
‘J’ai faim.’
‘Désolé, c’est pas prévu.’
Albert heeft bijna de hele reis een compartiment voor zich alleen. Meestal slaapt hij, met zijn zak met schamele bezittingen – een gamel en een mes met het embleem van de SS - als hoofdkussen. Een nacht en een dag doet de trein erover. Traag rijdt de locomotief tussen het puin van de zwaar geteisterde stad Antwerpen. Albert stapt uit in Berchem. Wezenloos loopt hij tussen de verwoeste huizen. De Houtemstraat, waar hij is opgegroeid, ligt plat. Een V-bom.
‘Ik was er van overtuigd dat iedereen dood zou zijn, gestorven in de bombardementen. Dat ik de enige was die overbleef.’
Maar de Leescorfstraat is nog helemaal intact en beenhouwerij Tytgadt is open. Zijn vrouw Lisa staat in de winkel. En Remi, een beenhouwer uit de stad die tussendoor komt helpen. Bij het uitbenen. Een vrouw kan dat niet. Albert gaat binnen.
Grote ogen. Open monden.
‘Allez, waar komt gij nu vandaan?’
‘Van de oorlog, tiens.’
En omdat zijn vrouw en Remi maar naar hem blijven staren:
‘Allez, ik ben thuis, zijt ge niet content.’
Ze gaan naar achter. De Russische soldatenkleren gaan uit.
‘Smijt dat weg, ik wil het nooit meer zien.’
In de keuken steekt Lisa alle vuren aan om water warm te maken. Meer dan een uur blijft Albert in de tobbe zitten om het vuil van zich af te laten weken, en als dat niet lukt, het eraf te schrobben met een grove handborstel. Lisa schraapt met een mes het eelt van zijn voetzolen.
Ze begint wel vijf keer aan een zin waar ze lang op heeft zitten broeden en doet dan haar mond weer dicht. Maar dan komt het er toch uit. Iedereen was ervan overtuigd dat hij, Albert, dood was, omgekomen in het concentratiekamp. Twee jaar hadden ze van hem geen bericht gehad. Lisa had kennis gemaakt met een Engelse soldaat, die goed voor haar was. Kon Albert haar vergeven?
‘Ik moest slikken toen ik dat hoorde. Maar ik kon haar toch niks kwalijk nemen?’
En geloof het of niet, net als Albert uit zijn bad komt, maakt de nietsvermoedende Engelse soldaat zijn opwachting.
‘Maar die was rap weg!’
Een dikke maand later komt de brief aan die de joodse gevangene in Blechhammer beloofd had te schrijven naar zijn familie. De jood die hem kende als de beenhouwer uit de Leescorfstraat. Emile Vos. Een van de weinige joodse overlevenden van het concentratiekamp van Blechhammer. Een van de voortrekkers van het latere Joods Museum van Deportatie en Verzet in Mechelen.
copyright Louis van Dievel