zondag 14 juni 2009

Het leven van Albert (15)

 

 

15. De trein der traagheid



Albert Tytgadt trekt zijn charette voort over een assepiste, in oostelijke richting. Het slagveld is nog lauwwarm.  Naast de weg liggen honderden uitgebrande vrachtwagens, tanks, ontplofte stukken geschut. De lijken zijn al geborgen. Niets staat er nog overeind. Niets. Geen huis, geen boom, geen paal, geen struik. Nergens liggen nog meer dan twee stenen op elkaar. Het landschap is zwartgeblakerd.  Albert kruist een eenzame Rus op een paardje. De soldaat houdt hem staande, met geschouderd geweer. Maar als de Rus Albert van dichterbij ziet, zakt de loop. Jammer, Albert heeft geen Amerikaanse sigaretten bij zich, zoals de soldaat had gehoopt, enkel varkensvlees, verpakt in een smerig deken.


En toch houden zich in die verwoesting nog andere mensen schuil. Overlevenden, overlevers, daklozen, vluchtelingen, zwervers, of ,zoals Albert, van alles tegelijk. In holen onder de grond wonen ze. Albert kruipt aan het eind van zijn eerste dag mee in zo’n hol, waar al een dozijn mensen een plek om te overnachten hebben gevonden. Hij is de laatste die erbij kan. Met één hand buiten houdt hij krampachtig zijn karretje vast. ’s Nachts komen de Russen met krachtige zaklampen in het hol schijnen. Ze kijken of er zich tussen de vluchtelingen geen Duitsers  verborgen houden. 
Ergens in die Poolse verlatenheid staat op een spoor dat niet verwoest is een trein. Een stoomlocomotief met een gevolg van beestenwagons. De trein is het aantrekkingspunt voor al wie op de dool is. Albert strompelt er met zijn laatste krachten naartoe. Hij ontmoet er Jacques, een Fransman.


‘Comment tu t’appelles?’
‘Je suis Albert.’
‘Moi, c’est Jacques.’
‘Je suis épuisé, j’en peux plus.’
‘Je vais t’aider. Donne-moi ta main.’


Jacques hijst Albert en zijn smerige deken vol varkensvlees aan boord van een van de treinwagons. Het karretje blijft achter.
Jacques is 26, 27 jaar oud. Hij was in het oosten van Duitsland als krijgsgevangene tewerkgesteld op een boerderij waar enkel nog een moeder met haar vier dochters woonden. De mannen, broers, verloofdes waren al dood of nog aan het front. Jacques maakt een van de dochters zwanger, ja hoe gaat dat, en wordt tot vier jaar kamp veroordeeld. Voor hem komt de bevrijding ruim op tijd. Hij is nog sterk, is nog niet ziek, niet uitgeteerd.
De trein vertrekt. Dagenlang rijdt hij met een slakkengang en blijkbaar kriskras door de eindeloze leegheid. Af en toe stopt hij, op een willekeurige plek zo lijkt het, en dan klimmen er nieuwe zwervers, displaced persons, ex-gevangenen, hoeren en kinderen aan boord. Naar verluidt is de eindbestemming van de omzwerving Krakau.


Wanneer de trein alweer stopt op een plaats waar geen huizen te zien zijn en de mensen in holen wonen, moet Albert dringend kakken.
‘Jacques, je dois aller à la cour.’
‘Vas-y’, zegt Jacques.
‘Il y a trop de monde.’
Inderdaad. Er staan honderden mensen te wachten. Albert durft zijn gevoeg niet doen terwijl die allemaal staan te kijken. Hij stapt af, kijkt rond, ziet een put waarvan de bodem met mos begroeid lijkt. Een beschutte plek, denkt Albert, en springt in de put. De met mos begroeide bodem is in werkelijkheid een hard geworden korst op een put vol stront waar Albert tot bijna aan zijn middel in wegzakt.
De stank is gruwelijk. Onder het hoongelach van zijn medereizigers spoelt Albert zichzelf en zijn kleren af onder de waterbak voor de stoomtrein. Maar dan nog is de stank niet te harden. Albert mag de trein niet meer op van zijn medereizigers, die toch wel een en ander gewend zijn. Er wordt een compromis gevonden: Albert mag meerijden maar moet in het gat van de schuifdeur zitten, met zijn benen buiten. Vier dagen lang reist hij zo mee in zijn stinkende strontgoed. Dan komen ze aan in Krakau.
‘Jacques zei, kom we stappen een politiebureau binnen, we hebben geld nodig om naar huis te gaan.’
Maar de Poolse politiemannen met een rode armband knijpen hun neus dicht en stampen de twee bezoekers de deur uit. De stank was nog altijd te niet te verdragen.
‘Ik rook dat op de duur zelf niet meer.’


Albert en Jacques merken hoe de Russen alle vluchtelingen samen proberen te brengen in een kazerne.
‘Jacques zei: on ne va pas se faire enfermer.’
De mannen zijn het er over eens dat ze lang genoeg binnen hebben gezeten, daar hebben ze voorlopig geen zin meer in. Een tijdlang kunnen ze uit de handen van de Russen blijven. Krakau is een grote stad. Ze slapen in half verwoeste huizen, overdag stelen ze hun eten bij elkaar op de markt. Vooral Jacques, de plantrekker, is daar bedreven in. Albert moet de aandacht van de marktkramers afleiden, terwijl de Fransman toeslaat.
Er mankeert ook nog niets aan het libido van Jacques.
‘Je envie de tirer un coup.’
‘Fais comme tu veux, moi je ne peux plus.’
Geld heeft de Fransman niet.
‘Cela ne fait rien, quand j’ai fini, je m’en vais simplement.’
Na afloop van zijn onderonsje met een prostituee trekt hij zijn broek op en gaat er zonder betalen vandoor. De bedrogen hoer giet vanuit de eerste verdieping de pispot leeg over zijn hoofd. Het kan de pret niet bederven. Een andere keer neemt hij een vrouw mee naar het kerkhof van Krakau, waar ze weinig kans lopen om gestoord te worden. Albert moet de wacht houden.


Op een dag worden ze toch opgepakt door de Russen en meegenomen naar een kazerne. Albert krijgt nieuwe kleren: een Russische soldatentenue met alles erop en eraan, een warme ‘capote’ en een bontmuts toe.
De Russen die op de vluchtelingen moeten letten, zijn altijd zat. Iedere avond vieren ze feest bij kampvuren aan de kazernepoorten. Jacques doet mee. Albert niet, die valt na het eten als een blok in slaap in het stro. Wanneer hij ’s morgens wakker wordt heeft hij geen kleren meer aan zijn lijf. Alleen nog een hemdje. Wat is er gebeurd? Jacques komt de slaapzaal binnen, met een kan wodka .
‘J’ai vendu tes effets’, zegt hij doodgemoedereerd.
Voor tien liter wodka, zo blijkt. Vijf liter heeft hij aan de bewakers moeten geven om opnieuw binnen te mogen. Opnieuw slaagt Albert erin om een soldatenplunje te versieren.
‘Towaritsch, mijn kleren zijn gestolen!’
Het is tamelijk goed leven in de kazerne. Ze krijgen alle dagen erwtensoep met paardenbrood.
‘Peerdenbrood, dat smaakte als een delicatesse.’
In de kazerne is alles te krijgen; wodka, vrouwen,... Ergens achterin zet een kerel tatoeages, bij mannen en bij vrouwen, waar ze maar willen, zelfs op het gezicht. Albert komt kilo’s bij. In het begin ligt hij alleen maar op zijn brits, later gaat hij op ontdekkingstocht in het reusachtige kazernegebouw. Hij komt er in de keuken terecht, waar de kok een heel varken aan het koken is, met harig vel en al!
Dan komt het bevel dat ze opnieuw op reis moeten. Dat komt goed uit, want Albert heeft inmiddels schoon genoeg van Krakau.

 

copyright Louis van Dievel

Commentaar

1. Lode van dievel zegt ...

Proficiat !
Goed verteld ! Sommige zaken zijn in de 3 de wereld nu nog herkenbaar !

2. Annie zegt ...

Ik kan me bepaalde zaken herinneren, feiten die Albert verteld heeft in "De Wilson'. Het is toch zo spijtig dat Albert gestorven is, maar door deze verhalen is het net of hij nu nog leeft en vertelt over vroeger.

Naam*
URL
Email*
Email adres wordt niet gepubliceerd!
Onthoud mij
Commentaar*

CAPTCHA
Geef de bovenstaande cijfers in