Het leven van Albert (13)
13. Vernichtung durch Arbeit
Het kamp van Blechhammer is een onderafdeling van Auschwitz. Er werken duizenden Joodse dwangarbeiders aan de bouw van een petrochemische fabriek. Er zijn zoutmijnen. Er wordt een kanaal aangelegd. De filosofie van het kamp is eenvoudig in al haar gruwel. De gevangenen werken tot ze er dood bij neervallen. Wie niet meer tot werken in staat is, wordt afgevoerd en omgebracht. Uit Blechhammer kan, in theorie en in de praktijk, niemand terugkeren. ‘Vernichtung durch Arbeit’.
Bij aankomst is het weer hetzelfde liedje. Albert moet zijn kleren afgeven, wordt ontsmet en krijgt een gevangenisplunje. Zijn trui die inmiddels meer dan een kilo weegt van het vuil, mag hij houden. Later vindt hij nog ergens een cementzak die hij onder zijn kleren stopt en die hem beschermt tegen de ijzige wind.
Albert Tytgadt ziet er zijn broer Julien terug, die hij in de tocht van kamp naar gevangenis uit het oog verloren had. De Belgen worden in een smerige barak vol ongedierte ondergebracht.
De petrochemische fabriek met haar hoge schouwen is een doelwit voor de Amerikaanse luchtmacht. Als de alarmsirenes beginnen te loeien, heerst er paniek en chaos. Er zijn schuilbunkers met betonnen muren van meer dan vijf meter dik, en zelfs die daveren onder het geweld van de vliegtuigbommen. De bunkers zijn verboden terrein voor de gevangenen en zeker voor de Joodse slavenarbeiders. Maar in de chaos, in de strijd voor het zelfbehoud valt dat niet altijd te controleren.
Tijdens zo een bombardement wordt Albert Tytgadt in een schuilbunker aangesproken door een Joodse gevangene.
‘Ik ken u mijnheer, u bent toch de beenhouwer uit de Leescorfstraat in Antwerpen?’
Albert herkent de man niet. Maar de man is zeker van zijn zaak.
‘Weten ze thuis dat u nog in leven bent?’, vraagt de man.
Het antwoord is neen, hoe zouden ze.
‘Ik zal schrijven dat ik u hier in levende lijve heb ontmoet.’
‘Ja, doet u maar.’
Schrijven? Vanuit een vernietigingskamp? Albert hecht er geen belang aan. Hij ziet de man niet meer terug.
Albert Tytgadt wordt ingedeeld bij een groep slavenarbeiders die een kanaal in de buurt moeten aanleggen. ’s Morgens vertrekt de werkploeg zonder eten of drinken naar het kanaal. Soms marcheren ze door een bos, soms worden ze met een bootje overgezet. En iedere keer als ze samengepakt op dat bootje staan, begint er iemand te zingen, heft een Waal met een mooie stem een lied aan over zijn geboortestreek. Ze krijgen er tranen van in de ogen.
Wie het marstempo niet kan volgen, wordt geschopt en geslagen. Albert is nog jong en loopt voorop. Maar de mannen van middelbare leeftijd kunnen niet meer mee. Als schoppen en slagen niet meer helpen, worden ze weggevoerd en komen ze nooit meer terug.
‘Er werd gezegd dat die werden afgemaakt, in een sleuf gegooid en overgoten met acide. Er stonden altijd vijftiglitervaten acide achter de barakken.’
De gevangenen krijgen een schup waarmee ze klei in een kiepwagentje moeten scheppen. Die klei wordt op de bodem van het kanaal uitgespreid, tegen de verzanding. Daarbovenop worden grote stenen gelegd om de bodem te stabiliseren. Soms is de grond keihard bevroren en kan er niet gewerkt worden. Dan moeten de dwangarbeiders de hele dag blijven rechtstaan, met de schup op de schouder. Verboden te bewegen. Wie beweegt krijgt slaag. Wie erbij neervalt wordt afgevoerd. En opnieuw: komt nooit meer terug.
‘Er werd altijd in ploegen van twee gewerkt. Maar als we oneven in getal waren, probeerde ik altijd bij de ploeg met drie aan te sluiten. Dan moest ge minder hard werken.’
’s Middags is er even pauze. Dan wordt er een soort soep uitgeschept, watersoep van kolen, die uit een ton wordt geschept. Soms krijgt de ene wat meer dan de andere. Dan wordt er gevochten. Dat vinden de bewakers amusant.
‘Die soep was pure petrol. Ik heb er nooit van gegeten. Een mens zou er nog zieker van worden dan hij al was.’
Tijdens de middag kunnen ze soms gaan hurken bij een vuurtje dat gestookt wordt met wat gevonden hout. Ook dan wordt er gevochten om een plaatsje dicht bij de vlammen.
‘Ik zorgde ervoor dat iedereen om beurt dicht bij het vuurtje kon zitten. Ik duwde er ene weg en trok er ene naar voor. Ik heb nooit aan mijn eigen gedacht.’
Als de werkdag eindelijk voorbij is, marcheren ze terug naar het kamp. Soms komen ze groepen Engelse krijgsgevangenen tegen, nonchalant bewaakt door een Duitse bewaker .
‘Die kregen soms pakjes via het Rode Kruis. Wij kregen niets. Wij moesten dood. En omdat we de gevangeniskledij van bandieten en moordenaars droegen, werden we soms bespuwd door Duitse burgers.’
’s Avonds moeten de gevangenen naakt in de rij gaan staan. Per groep krijgen ze één brood. Omdat Albert Tytgadt beenhouwer is geweest , wordt hij door zijn lotgenoten uitgekozen om het brood te snijden. Twee sneetjes per man. Iedereen kijkt nauwlettend op het snijden toe. Er is een beurtrol om na het snijden van het brood de kruimels op te pikken met de vingers. Naast brood bestaat het rantsoen uit 25 gram margarine en een potje kummel.
‘Ik hield altijd iets over voor de volgende dag, voor in geval van nood. Mijn broer Julien, die kon niets opsparen. Dan gaf ik hem een stukje van mijn brood.’
Over Julien gesproken. Op een dag staan de gevangenen in het gelid. Een hoge SS-officier komt inspectie houden. De SS’er rookt een dikke sigaar. Als de inspectie is afgelopen, gooit hij zijn nog maar half opgerookte sigaar achteloos op de grond.
‘Julien springt uit het gelid, raapt die sigaar op en gaat rap weer op zijn plaats staan. Wij dachten allemaal dat de Duitsers hem zouden doodslaan of doodschieten . Maar ze lachten alleen maar. Ze lieten mijn broer ongemoeid.’
Maar op een dag is het geluk van Julien opgebruikt. Hij kan niet meer.
‘Julien, zeg ik tegen hem, ge loopt op uw laatste benen. Probeer toch opnieuw in de gevangenis te raken. Hier gaat ge dood. Ja Albert, ik zal proberen, zei hij. Maar hij is afgevoerd en ik heb hem nooit meer terug gezien. Later heb ik vernomen dat hij in het kamp van Gross Rosen is gestorven. In april, een maand voor de bevrijding. ‘
Albert kan zich geen namen van medegevangenen herinneren. Vrienden of kameraden heeft hij niet. Er is geen plaats voor gevoelens.
‘Ge kunt niet meer denken. Ge zijt te verzwakt. Kameraden hebt ge niet. Ge zijt geen mens meer, ge zijt een dier. Ge woont in een barak waar ge moet pissen en kakken op de Kübel. En als die overloopt, loopt er een beekje van pis en stront door de barak. Ge zit onder de luizen. Ge zijt als koeien in de wei. Loopt er een naar links, dan loopt ge mee naar links. Zo leefden wij. Ge wordt ’s morgens wakker en ge leeft nog. En ge denkt: tiens, ik leef nog. En als de avond valt, dan denkt ge: weeral een dag voorbij.’
Commentaar
1. Eeckhout+Ann zegt ...
Mens-ont-erend noem ik zoiets,verkeerde hersenspinsels, die bestaan nu ook nog maar hebben niet de overmacht.
En nu iets anders : hoe is het met je nieuwe fiets ?
Blijkbaar niet veel gefietst vandaag zo 2 stukken na elkaar gepubliceerd, ik daarentegen wel, zo'n 15 km afgelegd, t'was tof.
ps: ik heb je nieuwste boek gekocht via t'internet, ik kon niet wachten op de uitslag van de VRT, mocht ik het toch winnen dan geef ik hem wel cadeau aan iemand ;-)
Hou je goed.
Liefs
Ann