Het leven van Albert T. (10)
10. Op transport in Duitsland
Essen, in het Ruhrgebied, dat is kolen en staal, dat is oorlogsindustrie, dat is een vast doelwit voor de Engelse en Amerikaanse luchtmacht. De stad en al wat er rond ligt wordt nagenoeg iedere nacht gebombardeerd. Essen ligt op de duur zowat plat. Ook de gevangenis waar Albert Tytgadt en zijn onfortuinlijke maats zitten opgesloten, deelt in de brokken.
‘Ge kunt u dat niet voorstellen. Ge zit opgesloten in een cel, alleen. Ge zijt doodsbang. Ge kunt niets doen, ge kunt niet schuilen, ge kunt niet gaan lopen. Alles rond u davert en schudt iedere keer als er een bom inslaat. Door de tralies ziet ge overal brand. Ge ziet de schijnwerpers van de luchtafweer, ge hoort de Flak, het huilen van de Stuka's. En al wat ge kunt doen is hopen dat nog uw toer niet is.’
Wanneer de gevangenis in Essen half in puin ligt, worden de gevangenen overgebracht naar het noorden, naar Bochum, in Noord-rijnland-Westfalen. De stad Bochum is niet of minder interessant voor de geallieerde bommenwerpers. Het is er relatief rustig. Van zijn verblijf in Essen en in Bochum herinnert Albert Tytgadt zich niet veel. Dat ook zijn broer Julien daar is. Dat de dagen in de cel eindeloos lang duren, dat ze amper gelucht worden, dat ze zich niet kunnen wassen. Dat ze weinig en slecht eten krijgen: per dag maar honderdvijftig gram brood en een bord kolensoep. Dat ze op de duur stoppen met tobben, omdat het toch niet helpt, dat ze niet meer kunnen nadenken van de honger. Hoe lang het verblijf in Bochum duurt, kan hij zich niet meer herinneren. Het jaar is 1944.
Maar nog wel de nacht dat hij en de anderen uit hun cellen worden gehaald en op een trein worden gezet. De reis gaat naar het concentratiekamp van Esterwegen, nog steeds in het noorden van Duitsland, in Nedersaksen. Ze reizen niet in beestenwagons, o nee, het is een gewone trein met compartimenten. De trein zit al goed gevuld met Fransen die uit de gevangenis van Fresnes bij Parijs zijn aangevoerd. Het zijn vooral boerenzonen die in het maquis hebben gezeten. Hoe het mogelijk is, weet Albert niet, maar die Franse gevangenen zijn goed voorzien van etenswaren: chocolade, brood, confituur, boter zelfs! Van hun Duitse bewaker horen ze dat ze bij aankomst in Esterwegen alles zullen moeten afgeven. Zo wordt de treinreis naar het sinistere Esterwegen één grote vreetpartij, want de Fransen delen alles met de minder fortuinlijke Belgen, die al maanden honger lijden.
‘Ik nam een grote snee van dat boerenbrood, ik smeerde er boter op, zo dik als maar kon, en daarbovenop kwam nog een laag confituur en een stuk chocolade. Ik ging op de WC van de trein zitten . Wat ik er van boven in stopte, kwam er langs onder opnieuw uit. Ik was niet ziek. Mijn gestel was niet meer voorzien op de overvloed.‘
Smakelijk.
De trein stopt. Ergens. Het regent en het is koud.
‘Aussteigen!’
De gevangenen moeten op open vrachtwagens plaatsnemen. Albert Tytgadt is altijd een rappe kerel geweest. Hij springt als eerste in de laadbak en vindt een plaatsje in de beschutting van de cabine. Zijn makkers nemen rondom hem plaats. De kring van lijven beschermt tegen de kou en de regen. Iedereen zit gehurkt. De rit in de camions duurt uren. Om middernacht komen ze in Esterwegen aan. Stram en stijf en nat zijn ze. Maar ze moeten uit die camions springen.
‘Schnell, schnell!’
Albert leest het opschrift boven de poort van het kamp.
‘Nacht und Nebel’, staat er.