Het leven van Albert T. (7)
7. Krijgsgevangen, maar niet voor lang
Albert verschuilt zich daar in de Leiestreek in een bos achter een boom. Hij is kapot van al dat marcheren en valt zowaar in slaap terwijl de kogels over en weer fluiten. Als hij wakker wordt is het stil geworden en blijkt iedereen te zijn vertrokken. Maak zoiets mee. Albert krabt zich in het haar. Wat nu? Naar huis, denkt hij, dat zal misschien het beste zijn. Hij vindt een prachtige motor met zijspan, het ideale vervoermiddel om naar Antwerpen te rijden. Maar er zit geen druppel benzine meer in de tank. Te voet dan maar. Albert begint te stappen, met zijn geweer over zijn schouder. De granaten heeft hij achter gelaten. Op den duur belandt hij aan de autostrade tussen Brussel en Oostende.
In de richting van de kust rijden eindeloze rijen militaire trucks. Het zijn verdorie Duitsers! Albert Tytgadt is achter de linies terecht gekomen.
‘Die Duitsers keken niet eens naar mij. Die reden mij gewoon voorbij.’
Albert Tytgadt gooit zijn geweer in de gracht en sjokt langs de kant van de autosnelweg in de andere richting, in de richting van Gent. Aan de rand van de stad pakken de Duitsers alle verslagen en verdwaalde Belgische soldaten op en sluiten ze op in een kazerne. Albert is krijgsgevangene.
Hij hoort zeggen dat ze eerst naar Brasschaat zullen worden overgebracht, en van daaruit naar Duitsland, naar een krijgsgevangenenkamp. Zo ver rijd ik niet mee, denkt hij. Het zal u niet verbazen maar Albert wil liever naar huis. Er komen tegenstrijdige berichten. Plots zouden ze moeten inschepen in de haven van Gent. Via Terneuzen zullen ze langs de Schelde en overzee naar Duitsland varen, naar een gevangenenkamp. Maar als een deel van de Belgische soldaten aan boord is gegaan, worden de schepen gebombardeerd door de Engelsen. De schepen zinken en iedereen aan boord verdrinkt. Het gaat dan toch per vrachtwagen richting Antwerpen. De Belgen worden schnell schnell de camions op gejaagd. Als de laadruimte bijna vol zit, vraagt Albert of hij nog mee kan.
‘Gut, gut, aber schnell!’ roept de Duitse bewaker. Albert Tytgadt installeert zich bij de laadklep. Met bescheiden vaart rijden ze Lokeren en Sint-Niklaas voorbij. In Hoboken steken ze de Schelde over. De Duitse genietroepen hebben daar pontons gelegd. Ze rijden de stad door. Het gaat naar Maria-ter-Heide, heeft Albert intussen vernomen. Daar is een legerkamp dat als tussenstation dienst zal doen. Er is een massa volk op de been in de stad.
‘Hebt ge Louis niet gezien? Zijt ge Frans niet tegengekomen?’ roepen ze naar de krijgsgevangen Belgen.
Wanneer ze traag over de Eiermarkt rijden, besluit Albert dat de reis lang genoeg heeft geduurd.
‘Auf Wiedersehen!’ zei ik tegen die Duitse bewaker, en ik sprong van de camion.
‘Nein, nein! Hier bleiben!’ riep de bewaker, maar hij durfde niet te schieten omdat er zoveel mensen rond de vrachtwagens drummen, op zoek naar nieuws over vader, broer of vriend.
Albert verdwijnt in de massa, loopt ergens een deur binnen en vraagt of ze geen burgerkleren hebben voor hem. Een goed half uur later is hij thuis, in de Leescorfstraat.
‘Allez, waar komt gij nu vandaan?! Vragen zijn vrouw, vragen zijn ouders.
‘Van de oorlog, tiens!’
De slagerij gaat gewoon opnieuw open. Niemand vindt het vreemd dat soldaat Tytgadt plots weer in zijn witte schort achter zijn kapblok staat. Zijn minder fortuinlijke makkers keren pas na een jaar uit krijgsgevangenschap in Duitsland terug. De Duitsers houden de Waalse soldaten drie of vier keer langer vast dan de Vlamingen. ’t Zijn smeerlappen.
Maar over de Duitsers die nu in Antwerpen de baas zijn heeft Albert Tytgadt geen klachten. Ze hebben volop geld, ze kopen de winkels leeg. Belgen en Duitsers zitten samen in café De Wapper. Albert leert er Hans kennen, een vliegenier. Het is de tijd van de bombardementen op Engeland. Hans drinkt zich in de Wapper geregeld een stuk in zijn voeten. Elke missie boven Engeland kan de laatste zijn. Soms gaat hij met Albert mee naar de Engelse radio luisteren. Om te weten hoe het weer daar is, zeker?
Het vlees wordt gerantsoeneerd. Albert kan in het slachthuis niet meer dan 25 à 30 kilo vlees kopen. Wie collaboreert met de Duitsers, krijgt meer en verdient fortuinen. De slagerij van Albert is enkel nog de zaterdagvoormiddag open. De mensen staan in de rij met rantsoenbonnen. Om toch zijn kost te kunnen verdienen gaat Albert ’s morgens geregeld naar de beenhouwersschool aan de Dambruggestraat. De jongens die daar voor beenhouwer leren, komen van de buiten en ze brengen van thuis dikwijls spek of vet mee. Albert is vaste afnemer. Een kilo vet kost in die tijd 400 frank voor een kilo, dat zou nu 400 euro zijn. Albert is nogal een plantrekker. Maar dikwijls valt er helemaal niets te doen in de winkel. Albert en Liza huren een bungalow op Sint-Anneke, aan de molen van de linker Schelde-oever . Ze liggen in de zon en ze hebben de tijd van hun leven. Van de oorlog, van de Duitsers, hebben ze geen last.
Maar op een dag worden ze met de harde werkelijkheid van het naziregime geconfronteerd. Maar dat is iets voor hoofdstuk 8.
Commentaar
1. Lode van dievel zegt ...
De autostrade Brussel-Oostende bestond toen niet