zondag 1 maart 2009

Het leven van Albert T. (6)

6. Gemobiliseerd en in oorlog

De winter van 1939 is al goed begonnen wanneer de compagnie van Albert Tytgadt aan het Albertkanaal in Olen gaat postvatten. Het vriest stenen dik. Op het kanaal ligt een halve meter ijs. In het holst van de nacht komen ze in Olen aan; het verzamelpunt is het café waar de fameuze pot met de drie oren bewaard wordt. De Negende Compagnie van Albert is de enige die zich aan de overkant van het kanaal moet ingraven, als vooruitgeschoven post. De boer bij wie de soldaten ingekwartierd worden, wil hen zelfs niet in de schuur laten slapen. De politie komt eraan te pas om hem op betere gedachten te brengen. Later verhuist Albert met tien andere soldaten naar het huis van particulieren. Op een dag wordt er een portefeuille met 7.000 frank gestolen uit dat huis. Tytgadt wordt ervan beschuldigd de dief te zijn. De gendarmen komen. Albert krijgt stompen en slagen.

‘Gij hebt dat gedaan!’

De sergeant van de compagnie, een zekere van Hoorick, neemt het voor hem op. Onthoud die naam, hij zal nog van belang zijn.

‘Tytgadt is onschuldig.’

Albert mag gaan. Hij wordt witgewassen voor zijn compagnie. Wat later wordt de portefeuille buiten teruggevonden. Het geld zit er nog in. De portefeuille is droog, het had nochtans de hele nacht geregend.

’s Avonds gaan de soldaten uit in Olen, voor zover er daar iets te beleven valt. Albert niet: hij heeft een goede, een knappe vrouw en een zaak. Hij heeft het zo geregeld dat zijn motorfiets , een motocyclette van Gillette, in de buurt verborgen staat. ’s Avonds trekt hij een jas aan over zijn uniform, maakt de nummerplaat van zijn motorfiets onleesbaar met slijk, en rijdt naar de brug over het kanaal. Wanneer de schildwacht bij de brug hem aanmaant halt te houden, vertraagt hij even en geeft dan plots volgas . De truc ‘pakt’ altijd. Voorbij de brug zijn er nog amper controleposten. In snelle vaart en met knallende uitlaat gaat het naar de Leescorfstraat in Borgerhout, waar zijn vrouw en zijn zaak op hem wachten. Slechts een paar uur de tijd heeft hij om vleeswaren te bereiden en de winkel klaar te maken voor de volgende dag. ’s Avonds laat gaat het opnieuw volgas richting Olen. Aan de brug over het Albertkanaal is er geen controle: wie is er nu zo zot om in de richting van de vijand te rijden?! Wekenlang slaagt Albert erin om de plicht voor het vaderland te combineren met zijn huiselijke plichten.


Maar als de winter voorbij is gaat het richting Joli Bois, tussen Waterloo en Tervuren, verder van huis. Over en weer rijden is voortaan uitgesloten. Intussen gebeurt er niets. De oorlogsdreiging lijkt niet echt. De soldaten houden zich bezig met onnozelheden. ’s Morgens worden ze gewekt met muziek, met een lied dat in de barakken door de luidsprekers schalt :

‘Goedemorgen, het is tijd om de dagtaak te beginnen.’

In het Vlaams.

Ook marcheren gaat in het Vlaams. Maar ‘links, rechts!’ , dat stapt niet zo goed. Op ‘gauche, droite!’ kun je veel beter marcheren, vindt Albert.

De mensen in Joli Bois zijn heel vriendelijk voor de soldaten. Er zijn veel cafés, er is veel vertier. Veel piotten zijn later met een meisje van ginder getrouwd.

De maand mei van 1940 breekt aan. Plots wordt het dan toch ernst. De compagnie van Albert moet inpakken en naar de Walen vertrekken. Adieu, vakantiekamp Joli Bois! Ze komen aan in Seraing, bij Luik. De schoorstenen van de fabrieken braken er zwarte rook uit en het stinkt er. Maar geen kwaad woord over de Walen! De mensen van Seraing zouden hun eigen bed hebben afgestaan aan de soldaten van het dappere Belgische leger.

‘Viens chez nous, viens chez nous!’

Het is een eer om een soldaat te mogen herbergen.



De oorlog breekt uit. De compagnie van Albert Tytgadt moet alweer elders naartoe. In Seraing worden ze afgelost door Senegalezen. Met autobussen gaat het naar Leuven. Daar krijgen ze een aanval van de Luftwaffe te verduren. De Duitse Stuka’s scheren over de stad, hun sirenes loeien angstaanjagend, hun kogels knetteren tegen muren en ketsen tegen de straatstenen. Albert en zijn maats schuilen in portalen. Alleen de Engelse soldaten doen alsof er niets aan de hand is.

‘Die bleven in het midden van de straat staan, net of er niets aan de hand was. Die Engelsen, die waren echt een ras apart.’

Van Leuven gaat het te voet – links, rechts, links rechts – naar Hofstade , dichtbij Mechelen.

‘Het Belgisch leger had twee ijzeren muren opgetrokken om Duitse tanks tegen te houden, en wij moesten in Hofstade die muur bewaken.’

De bewoners krijgen de raad, of beter het bevel om te vertrekken. Ze laden hun boeltje op karren , roepen ‘Ju!’ tegen het paard en slaan op de vlucht. Maar eerst vragen ze nog aan de soldaten of ze een beetje ‘attentie willen doen’. Maar soldaten deugen niet, deugen nooit.

‘Jaja, mijnheer, madame, maak u maar geen zorgen,’ antwoorden ze, maar de vluchtelingen waren de hoek nog niet om of de Belgische soldaten wringen de kippen uit het kiekenkot de nek om en schuimen de verlaten huizen af op zoek naar kostbaarheden of gewoon iets dat ze kunnen gebruiken.

‘Ze namen zelfs vazen mee. Ik zeg tegen zo’n kerel: allez, wat doet ge nu, ’t is oorlog en gij steelt hier vazen!’



In Hofstade ontdekt Albert dat het geweer dat hij heeft gekregen niet bruikbaar is. De slagpin is te kort. Hij heeft geen kogels. De vier granaten die hij meezeult hebben geen ontsteking. Ga zo maar naar de oorlog. Hij vindt een verdwaalde hond en neemt die mee in de put die hij gegraven heeft om te schuilen. Als er onraad dreigt, hoopt Albert, zal de hond hem wel wekken. Hij heeft nog altijd zijn bajonet om zich te verweren tegen de vijand. De tweede of de derde nacht in Hofstade wordt hij ’s nachts wakker van het kabaal. Er wordt geschoten. ’s Ochtends blijkt dat er bij een boer varkens waren ontsnapt.

En ineens staat Liza daar, de vrouw van Albert. Ze is met de fiets van Antwerpen naar Hofstade gereden. Een hele afstand, dat is waar, maar Liza is het fietsen gewend, ze doet de toer van de beenhouwerij met ‘de mand’, de bakfiets.

‘Wat komt gij hier doen?’

Iets anders weet Albert niet te verzinnen.

‘Ik kom u bezoeken, tiens, en ik heb het een en ’t ander voor u meegebracht.’

Alsof de duivel ermee gemoeid is, zijn de Duitse Stuka’s daar weer.

‘Geef hier uw helm!’ roept de bange Liza. Met zijn tweeën duiken ze een kelder in. Wanneer het bombardement afgelopen is, fietst ze opnieuw naar huis.

Opnieuw trekt de eenheid van Albert zich terug. Van Hofstade gaat het naar de Leiestreek. Waar ze precies terechtkomen, weet hij niet meer. Er wordt over een weer geschoten. De Duitse vliegtuigen strooien pamfletten uit: ‘Geeft u over!’ Albert is doodsbang. Een van zijn maten – Tist is zijn naam – heeft dan weer plezier in het schieten. Hij kent er dan ook iets van, is altijd jager geweest. Tist verschuilt zich in zijn schuttersput, laat de Duitsers voorbij rennen en schiet ze dan in de rug.

‘Die kerel is later bij de Zwarte Brigade gegaan, die geneerde zich niet.’

U hebt het al begrepen: het einde van de achttiendaagse veldtocht komt in het gezicht. Maar de afloop is voor hoofdstuk 7.

Commentaar

Naam*
URL
Email*
Email adres wordt niet gepubliceerd!
Onthoud mij
Commentaar*

CAPTCHA
Geef de bovenstaande cijfers in