zondag 8 februari 2009

Het leven van Albert T. (3)

   

3. Coureur

 

De moeder van Albert, Diane Janssen,  heeft bepaald geen zitvlees. Terwijl zijn vader in het leger zijn luizenleventje leidt, gaat zij echt uit werken. Ze is onder meer conciërge bij de Bank van de Congo/ La Banque du Congo Belge op de Frankrijklei in Antwerpen. Er zat daar een Duitse scheper in de hof, om te waken. Die is een keer gaan lopen toen de bliksem insloeg en ze hebben het beest in Herentals teruggevonden. Ze is telefoniste bij een baron,  een stinkend rijke mens die tussen Duffel en Lier in een kasteel woont, het Hof van Lachenen. Ze moet gewoon de hele dag bij de telefoon zitten en in deftig Frans opnemen mocht die beginnen te rinkelen.

 

‘Op een keer zegt die baron tegen zijn chauffeur: “Breng madame maar naar het station van Lier”. Aan de bareel van Lier moet iedereen wachten. De chauffeur rijdt achteruit, onvoorzichtig achteruit, recht de Nete in. Ons moeder heeft twee uur lang kleddernat boven op die auto gezeten, tot ze haar daar konden weghalen. Heel Lier stond daar naar te kijken. Ze is daar nog goed ziek van geweest.’

 

 Ze houdt ook nog een tijdlang een kruidenierswinkel. En de familie Tytgadt verhuist dikwijls, tweeëndertig keren naar het schijnt. Tegen de tijd dat het huis zowat op orde is en fris geschilderd en nieuw behangen, heeft moeder Diane alweer een ander en beter adres gevonden. Ze is waarlijk onvermoeibaar.  Van haar zoon Albert verdraagt ze evengoed dat die geen klap uitvoert. Geen klap, is misschien wat overdreven. Maar na Saffraanberg is Albert Tytgadt gewoon thuis. Hij gaat op aandringen van zijn vader  drie maanden in de leer bij een coiffeur op het De Coninckplein in Antwerpen stad, om de stiel te leren, maar het is zijn roeping niet. Koersen wel. Bij de juniores.

 

 

In de stad ziet hij beenhouwersgasten rondtoeren op hun bakfiets. Dat zegt hem wel iets: werken bij een beenhouwer. Maar alleen in de winter. In de zomer wil hij coureur zijn. Albert heeft een oom die in fietsen doet. Hij verkoopt koersfietsen van het merk ‘Alcion’, waarop onder andere de befaamde gebroeders Pélissier rijden. Die oom verkast later naar Gentbrugge, waar hij winkel hield naast het voetbalveld van La Gantoise. Hij last en lakt de kaders van de fietsen zelf. Later is hij ziek geworden, waarschijnlijk van de uitwasemingen van de verf. Die oom komt later nog in ons verhaal terug.  Maar om een lang verhaal kort te maken, van die oom krijgt Albert Tytgadt een koersfiets van ‘Alcion’.

Zijn eerste koers rijdt hij aan de Balansstraat, op het Antwerpse Zuid. Zijn moeder gaat met hem mee. Zij op haar damesfiets, hij op zijn koersfiets. Altijd heeft hij een gebraden kip mee, als mondvoorraad. Dat doen de renners van tegenwoordig niet meer, volgens mij. Hij rijdt er niet in de prijzen.

 

 

Albert traint wel hard. Hij staat vroeg op om te gaan hardlopen. Iedere dag loopt hij vijf kilometer, rond de voetbalvelden van Berchem Sport, in het gezelschap van zijn Groenendaler hond. Na het ontbijt springt hij op zijn velo en rijdt over en weer naar Brussel.  Eén keer in de week traint hij op de lange afstand: Antwerpen-Brussel-Gent- Antwerpen, honderdzestig kilometer. Maar er schort iets aan de trainingsmethode van Albert Tytgadt.  Hij doet er teveel voor, denkt hij nu. Honderd kilometer lang kan hij koersen als de beste, maar dan is het vat af. Hij is niet moe, maar zijn benen willen niet meer mee. Hij rijdt in de jeugdreeksen samen met Achiel Bruyneel, die u misschien niet kent, maar die wel vereeuwigd is op de prentjes van Chicorei De Beukelaer.

‘Ik was zo gebeten om kampioen te worden, maar het lukte niet. Ik wist niet wat ik ervoor moest doen. Ik deed aan gymnastiek, ik leerde schermen. Ik was altijd in beweging. Ik ging zelfs niet uit. Dan nam ik de tram naar de stad, en ik keerde gewoon weer, want kampioenen gingen niet uit.’

 

 Eén keer rijdt Albert Tytgadt vijf minuten voorop in de Grote Prijs Veen, van de gelijknamige beschuiten, met start en aankomst in Boechout. Maar in Lier gaat het licht uit en rijdt iedereen hem voorbij. Overtraind… Af en toe is hij tiende  of twaalfde en wint hij  een prijsje, maar die gaat hij zelfs niet ophalen. Zijn moeder blijft hem, ondanks het uitblijven van resultaten,  trouw naar de koers vergezellen. Af en toe komt ook zijn vader mee, maar dat is om in de cafés te kunnen zitten.

 

 

Twee winters werkt hij bij beenhouwerij Dedrie. Van vier uur ‘smorgens tot elf uur ’s avonds. Normaal moeten die niet weten van een beenhouwersgast uit de stad. Maar als Albert met zijn bakfiets de bestellingen uitvoert, zijn ze zeker dat de klanten niet moeten wachten. Ook op de bakfiets traint hij. Door het dokkeren op de kasseien raakt dat vlees in zijn mand allemaal dooreen geschud, en moet hij gelijk een facteur zijn waren sorteren.  Voor wie was nu weer die boulie,en voor wie die koteletten?  Als zijn rekening niet klopt – hij bedient iedere dag toch zestig à zeventig klanten, wil de beenhouwer dat van zijn loon afhouden. Vijfentwintig frank in de week verdient hij, om zeven dagen te werken. Want ook op zondag is beenhouwerij Dedrie een halve dag open.  De rest van de zondag brengt Albert meestal in zijn bed door, om te bekomen van het harde werk van de voorbije week. Als beenhouwersgast  haalt hij zijn enige wieleruitslag die naam waardig: hij eindigt achtste in het Kampioenschap van België voor Beenhouwers.  Zijn wielercarrière duurt tenslotte vier jaar. Dan is het 1937 en moet Albert Tytgadt zijn legerdienst vervullen.
 
Maar daarover vertel ik u graag meer in hoofdstuk vier.
 

Commentaar

1. Eeckhout Ann zegt ...

Boeiende verteller !

Naam*
URL
Email*
Email adres wordt niet gepubliceerd!
Onthoud mij
Commentaar*

CAPTCHA
Geef de bovenstaande cijfers in