Het leven van Albert T. (3)
3. Coureur
De moeder van Albert, Diane Janssen, heeft bepaald geen zitvlees. Terwijl zijn vader in het leger zijn luizenleventje leidt, gaat zij echt uit werken. Ze is onder meer conciërge bij de Bank van de Congo/ La Banque du Congo Belge op de Frankrijklei in Antwerpen. Er zat daar een Duitse scheper in de hof, om te waken. Die is een keer gaan lopen toen de bliksem insloeg en ze hebben het beest in Herentals teruggevonden. Ze is telefoniste bij een baron, een stinkend rijke mens die tussen Duffel en Lier in een kasteel woont, het Hof van Lachenen. Ze moet gewoon de hele dag bij de telefoon zitten en in deftig Frans opnemen mocht die beginnen te rinkelen.
‘Op een keer zegt die baron tegen zijn chauffeur: “Breng madame maar naar het station van Lier”. Aan de bareel van Lier moet iedereen wachten. De chauffeur rijdt achteruit, onvoorzichtig achteruit, recht de Nete in. Ons moeder heeft twee uur lang kleddernat boven op die auto gezeten, tot ze haar daar konden weghalen. Heel Lier stond daar naar te kijken. Ze is daar nog goed ziek van geweest.’
Ze houdt ook nog een tijdlang een kruidenierswinkel. En de familie Tytgadt verhuist dikwijls, tweeëndertig keren naar het schijnt. Tegen de tijd dat het huis zowat op orde is en fris geschilderd en nieuw behangen, heeft moeder Diane alweer een ander en beter adres gevonden. Ze is waarlijk onvermoeibaar. Van haar zoon Albert verdraagt ze evengoed dat die geen klap uitvoert. Geen klap, is misschien wat overdreven. Maar na Saffraanberg is Albert Tytgadt gewoon thuis. Hij gaat op aandringen van zijn vader drie maanden in de leer bij een coiffeur op het De Coninckplein in Antwerpen stad, om de stiel te leren, maar het is zijn roeping niet. Koersen wel. Bij de juniores.
Zijn eerste koers rijdt hij aan de Balansstraat, op het Antwerpse Zuid. Zijn moeder gaat met hem mee. Zij op haar damesfiets, hij op zijn koersfiets. Altijd heeft hij een gebraden kip mee, als mondvoorraad. Dat doen de renners van tegenwoordig niet meer, volgens mij. Hij rijdt er niet in de prijzen.
‘Ik was zo gebeten om kampioen te worden, maar het lukte niet. Ik wist niet wat ik ervoor moest doen. Ik deed aan gymnastiek, ik leerde schermen. Ik was altijd in beweging. Ik ging zelfs niet uit. Dan nam ik de tram naar de stad, en ik keerde gewoon weer, want kampioenen gingen niet uit.’
Eén keer rijdt Albert Tytgadt vijf minuten voorop in de Grote Prijs Veen, van de gelijknamige beschuiten, met start en aankomst in Boechout. Maar in Lier gaat het licht uit en rijdt iedereen hem voorbij. Overtraind… Af en toe is hij tiende of twaalfde en wint hij een prijsje, maar die gaat hij zelfs niet ophalen. Zijn moeder blijft hem, ondanks het uitblijven van resultaten, trouw naar de koers vergezellen. Af en toe komt ook zijn vader mee, maar dat is om in de cafés te kunnen zitten.
Commentaar
1. Eeckhout Ann zegt ...
Boeiende verteller !