Het leven van Albert T. (1)
Waar zullen we beginnen met het vertellen van het leven van Albert? Bij zijn geboorte, dat is het gemakkelijkste. Op zeventien juni 1917, in Leopoldsburg. Iedereen die ooit zijn legerdienst gedaan heeft, kent de naam van dat dorp in de Limburgse heide. Een dorp dat naam kreeg door het leger. In 1835, vijf luttele jaren na de Belgische onafhankelijkheid, richtte koning Leopold I daar een legerkamp op. Om ons grondgebied tegen de Hollanders te beschermen, lees ik in de geschiedenisboeken. Bourg Léopold heette het kamp eigenlijk, want het Frans was de voertaal, aan het Hof en in het leger. En om nog eens dat stopwoord te gebruiken: eigenlijk was Leopoldsburg, samen met Heppen, maar een onderdeel van het grote kamp van Beverlo. Maar op de duur sprak iedereen van Leopoldsburg, en niet van Beverlo. Pech voor die van Beverlo.
Er lag daar een geweldig stuk woeste natuur, dat gewoon gemaakt was om soldaat te leren spelen. En er werd een kazerne gebouwd. En huizen voor de officieren. Het boerengat Leopoldsburg leefde van de militairen, dat was zo van in het prilste begin. Maar in 1917 is het nog oorlog. De Groote Oorlog, met twee o’s, omdat er nog nooit zoveel landen tegelijk met elkaar in oorlog hadden gelegen. Het is iets om fier op te zijn. De vader van Albert, Camille Tytgadt, houdt daar een gecombineerde handelszaak open: coiffure, frituur en café. Aan moederskant, de kant van Janssen’s, was het een familie van militairen. De grootvader van Albert vocht in 1917 nog achter de Ijzer. Enfin, vechten, hij was betaalmeester, ik weet niet hoe dicht die bureaumilitairen bij het front kwamen. Als de oorlog voorbij is, keert grootvader terug naar Leopoldsburg en gedraagt zich daar als het echte gezinshoofd, le vrai père de famille. Zijn wil was wet in huize Tijtgadt. Aan tafel zijn de lekkerste brokken voor hem, het overschot is voor de andere eters. Vader Camille had zich daar blijkbaar bij neer te leggen.
Wanneer Albert een jaar of zes, zeven is, zijn er veertigduizend miliciens gelegerd in Leopoldsburg. Het dorp telt meer cafés dan maagden, en fotografen, want die soldaten willen graag een foto in uniform naar thuis, naar hun lief sturen. De officieren frequenteren Hotel Du Camp, een wat chiquere bedoening. Er komt een tante van Albert op bezoek, ze heeft een fietsje bij als cadeau voor het neefje. Een fiets, verdorie. In heel Leopoldsburg was er nog nooit iemand op een fiets gesignaleerd. In de memorie van Albert toch. Als de kleine Albert van school komt, rijdt hij door een gat in de haag de velodroom van Leopoldsburg op, want de soldaten van het Belgische leger moesten ook op de piste kunnen rijden. Hij valt zijn kousen kapot en het vel van zijn knieën, maar zijn moeder vindt het niet erg. Camille Tytgadt kan op voorspraak van zijn schoonvader, die een lange arm heeft in het leger, coiffeur worden bij de Zesde Linie in Berchem, bij Antwerpen. Een droomjob. Maar helaas moet er tussen Leopoldsburg en Berchem een omweg worden gemaakt via een kazerne diep in de Walen, in Verviers. De wegen van de bureaucratie zijn ondoorgrondelijk en zelden aangenaam. Het hele gezin verhuist naar ginder: vader, moeder, Albert, en zijn jongere broer Julien. Ze hebben daar in Verviers maar één kamer voor vier personen. ’s Nachts slapen de ouders in het bed, en de twee jongens onder het bed. Dat kan natuurlijk niet blijven duren, zeg nu zelf.
Julien en Albert worden naar een particulier pensionaat in Boechout gestuurd. Albert is dan een jaar of acht, negen. Dat pensionaat annex school is een smerige bedoening. De jongens zitten onder de luizen. Het eten is er slecht. Er heerst een kadaverdiscipline. Wanneer vader Camille zijn zonen een keer komt opzoeken, gelooft hij zijn ogen niet. Hij maakt ruzie dat het klettert met de eigenaars en neemt zijn zonen terug mee naar Verviers. Gelukkig duurt de Waalse beproeving niet lang. Hoewel, beproeving? Albert Tytgadt leert er Frans spreken, een kennis die hem later goed van pas zal komen. In 1925 is de post van regimentscoiffeur bij de Zesde Linie eindelijk vrij en de hele familie verhuist naar Antwerpen. Ze gaan in de Saffierstraat wonen, dat is niet ver van de kazerne. Zijn vader heeft er een schoon leven. Zelf moet hij niet veel doen, hij moet de miliciens commanderen die onder zijn toezicht het haar van de soldaten knippen, of helemaal afscheren. Alles afscheren was gratis, als ik het goed heb onthouden, maar knippen kost anderhalve frank. Camille Tytgadt gaat vriendschappelijk om met de officieren, die dikwijls boven hun stand leven. Vader Tydtgat leent hen dikwijls geld. Als wederdienst sturen ze soldaten naar hem toe, van wie het kapsel dringend aan inkorting toe is.
Albert gaat naar school in de Grotehondstraat. Op 12 jaar doet hij zijn communie in de kapel van het Militair Gasthuis. Op een kwade dag loopt zijn broertje Julien op weg van school naar huis onder een tram. Zijn hoofd is lelijk geschalodderd. De jongen ligt maanden in het gasthuis. Julien geneest, maar hij houdt er een blijvend letsel aan over. Niet dat hij achterlijk is, maar toch wel een beetje traag, traag van begrip, goedgelovig, naïef. Dat zal hem later nog parten spelen. Maar later is voor later. Intussen is grootvader is nog altijd de baas in huis. Het is zijn wens dat Albert na zijn communie naar de Pupillenschool in Saffraanberg wordt gestuurd. Saffraanberg, dat ligt bij Sint-Truiden. Het is een school waar alleen kinderen van militairen worden toegelaten. Tweehonderdvijftig Waalse en tweehonderdvijftig Vlaamse kinderen worden er met militaire tucht onder de duim gehouden.
Commentaar
1. Britt zegt ...
Dat is alweer mooi, mooi, mooi man!
2. robin zegt ...
prachtig boek, ik ben pas 16 maar vind heb heel veel respect voor die man
16/05/2010