Het was zondagochtend, een uur of tien. Ik had net besloten om voor een keer de dag des Heren te eren en de hoogmis bij te wonen, toen de rode telefoon indringend begon te rinkelen. Dat was merkwaardig, want ik kon mij niet herinneren dat ik zo’n ding in huis had gehaald. Ik nam op en stelde mij mij hoffelijk voor als zijnde:
‘Van Dievel Consulting voor al uw politieke problemen.’
Wat vindt ge van die rode telefoon?
‘Het is hier Kurt Deboeuf’, zei een mij onbekende stem aan de andere kant van de lijn, ‘ik ben de woordvoerder van de premier-informateur-arrangeur. Wat vindt ge van die rode telefoon? Die heb ik bij u laten installeren voor als we u direct nodig hebben.’
‘Aangenaam’, antwoordde ik op lichtelijk geïrriteerde toon, want ik heb niet graag a) dat er zonder mijn medeweten telefoons worden geïnstalleerd , b) dat woordvoerders mij familiaar aanspreken en c) dat zij er van uit gaan dat ze zomaar beslag kunnen leggen op mijn kostbare tijd.
‘De premier-formateur-arrangeur heeft wat vragen voor u opgeschreven’, ging de woordvoerder op onverstoorbare yuppietoon voort, ‘ik zal die voorlezen en dan moet gij die cito presto beantwoorden, oké?’
Met bevende stem
‘Mijnheer’, zei ik en mijn stem beefde echt wel een beetje van verontwaardiging, ‘ik doe geen zaken aan de telefoon en ik doe ook geen zaken met woordvoerders. Als uw opdrachtgever – van wie u nog niet eens de naam hebt vernoemd – mij nodig heeft, moet hij mij zelf bellen en een afspraak maken. Maar nu moet ik naar de hoogmis en daarna blijf ik nog een uurtje biljarten in het Gildenhuis. Dus, laten we zeggen rond twee uur?’
En ik legde neer.
Geen minuut later rinkelde de rode telefoon opnieuw.
’t Is Guy hier.’
‘Ik herken uw stem’, antwoordde ik om het ijs te breken.
‘Zeg, ge denkt toch niet dat ik mijn tijd ga verliezen met op zondag naar Kalmthout te rijden voor wat flutadviezen?’
‘Optimism is a moral duty’, zeide ik in de hoorn en maakte aanstalten om deze opnieuw neer te leggen.
‘Wacht, wacht! ‘ riep Guy Verhofstadt alsof hij mijn intentie geraden had, ‘ik zal om twee uur bij u aan de poort staan. Past dat?’
Zijn toon klonk helemaal anders nu.
‘Oké’, zei ik, ‘ik zal intussen over uw problemen nadenken.’
‘Maar ik heb helemaal geen problemen’, hoorde ik de Gentse politicus nog tegenpruttelen, maar dat was net voor ik de hoorn in de haak legde.
Biljarten in het Gildenhuis
Ik stapte met Brabançonne aan mijn zijde naar de dorpskerk en knielde neer op mijn gereserveerde stoel. Brabançonne nam zijn plaats in bij het kerkkoor. Hij zingt bij de bassen. Na afloop van de hoogmis speelden wij een potje biljarten. Brabançonne won, zoals gewoonlijk.
Toen wij na een genoeglijke wandeling het smeedijzeren hek naderden dat mijn modeste villa in Kalmthout afsluit van de opdringerige buitenwereld, stond daar alreeds een dure en vervuilende luxewagen met draaiende motor op ons te wachten, met Verhofstadt aan het stuur. Het nekhaar van Brabançonne kwam overeind en hij liet zijn tanden zien.
Maak die poort eens open, dan rijd ik binnen!, riep Verhofstadt mij door het halfopen raampje toe. Zijn ogen waren op Brabançonne gericht.
‘Geen auto’s op mijn domein, helaas. Stapt u rustig uit dan toon ik u mijn eigendom. Of bent u bang voor Brabançonne?’
‘Gemoeniepeizendaddekikbangbenvandienenhond’, sprak de premier met een bibberend stemmetje. En hij stak een bevende hand uit om mijn doberman te aaien.
Bij het knapperende haardvuur
Enfin, een halfuurtje later zaten Guy Verhofstadt en ik bij het knappende haardvuur. De premier had een indrukwekkend verband om zijn rechterhand en was gekleed in de werkkleren waarin ik meestal hout hak. Tevreden kauwde Brabançonne op flarden van een duur Italiaans maatpak.
‘Ik ben zo goed als rond met mijn informatie-opdracht’, probeerde de premier, ‘maar misschien hebt ge nog wel een nuttige suggestie.’
Ik liet een lange stilte.
‘Enfin’, gaf de liberale voorman tenslotte toe, ‘ik kan uw hulp wel gebruiken.’
‘U zit lelijk in nesten’, gooide ik als kei in de bekende kikkerpoel, ‘u kunt het zich niet permitteren om als een gieter af te gaan – want daar zitten er velen op te wachten - maar alle openingen die u meende te kunnen maken zijn door de tot elkaar veroordeelde coalitiepartners vakkundig dichtgemetseld, en niet in het minst door Open VLD.
Guy Verhofstadt kon bij het horen van de naam van zijn eigen partij een vloek niet onderdrukken.
Een tripartite noodregering
‘En toch’, vervolgde ik, ‘is een tripartite noodregering de enige weg die overblijft.’
‘Maar’, zei ik met stemverheffing opdat de premier-informateur-arrangeur de ernst van mijn woorden zou vatten, ‘ maak u geen illusie, veel eer zal daar niet mee te behalen zijn. Die regering zal een krabbenmand gelijk zijn, wat zeg ik, een slangenkuil. Daarom raad ik u dit aan: sta het premierschap van die noodregering af aan Didier Reynders. Laat hem zijn nek nu maar uitsteken. Het lachen zal hem snel vergaan. Hij zal blij zijn als hij tegen Pasen ’s lands roer aan Yves Leterme kan overdragen.’
Guy Verhofstadt had aandachtig geluisterd. Een wonder op zich! Hij had wat tijd nodig om de boodschap te verwerken. Ik zag zijn adamsappel op en neer gaan, zoveel ineens moest er geslikt worden.
‘Kan ik een borrel krijgen?’
Als mijn factuur maar betaald wordt
De zaak was beklonken. Het land was gered, en de eer van de liberale voorman ook.
Sinds zondag 16 december mag ik mij een intimus van de premier noemen. Maar of ik nog voor Kerstmis minister van Staat word, zoals hij mij na de zesde borrel in het vooruitzicht stelde, en Brabançonne burggraaf, dat wil ik nog wel zien. Als mijn factuur betaald wordt, zal ik al content zijn.
(copyright Louis van Dievel)