zaterdag 10 mei 2008

Verhaal: 'Ik ben afkomstig uit Braken'

(Beste lezer, dit lange verhaal is anderhalf jaar geleden in het vermaarde literaire maandblad Che verschenen.Het gaat over een gehucht, een zielenpoot en een televisiemaker. Veel plezier!)

 

 

Moet ik de hele tijd in de camera kijken?
Dat is wel lastig, moet ik zeggen.
Ik ga dat vergeten, ik ga naar mijn handen kijken en naar mijn schoenen.
Ja, dat is goed, doe maar teken.
En de cameraman, gaat die weg?
Sorry hé man, ge moet u niet beledigd voelen of zo, maar ik ken u van haar noch pluim.
Ah, ge zijt dat gewoon.
Ge hebt gelijk, iemand moet die camera toch bedienen.
Mag ik mijn zonnebril opzetten? Die lamp schijnt in mijn ogen.
Ik praat ook gemakkelijker met een zonnebril.
Ik heb een hele goeie zonnebril, een hele dure, van Tacchini.
De meeste mensen spreken dat verkeerd uit, gelijk China. Maar het is met een k.
Het is een Italiaans merk, daarmee.
Ja ik ben klaar.
Zeg maar als ik moet beginnen.
Mag ik beginnen?
Oké.
Ik heb het eerste stuk zo’n beetje uit mijn hoofd geleerd, om niet stil te vallen.
Nee nee, wees maar gerust, ik ga mijn tekst niet aframmelen.
De camera loopt?
Dat is wel raar, zo beginnen zonder dat er een vraag wordt gesteld.
Ja, ’t is goed, ik begin.




Ik ben afkomstig van Braken. Ik zeg dat niet graag, u zult meteen begrijpen waarom. Braken ligt in de Bermudadriehoek tussen Wernhout, Loenhout en Wuustwezel. En daarmee is alles gezegd. Ik fietste van de zomer door Nieuwmoer, dat is nog zo een gehucht waar een normaal mens niet komt omdat hij het gewoonweg niet kan vinden, omdat er geen wegwijzers naartoe verwijzen. Iemand had met een spuitbus “Einde van de beschaving” bijgeschreven op het officiële plaatsnaambord. Maar dat is niet waar. Het einde van de beschaving ligt nog vijf kilometer verder, in Braken.

 Nieuwmoer heeft een kerktoren en een jeugdhuis en een paar cafés en Ludo Delcroix woont er. Ludo is knecht geweest van Eddy Merckx en is nog altijd de vader van de bloedmooie Nathalie van Lais! En  Leo Decroix die op televisie altijd zweet onder zijn neus is afkomstig van Nieuwmoer, en zijn broer Jozef die een paar weken in de gevangenis van Tongeren heeft verbleven natuurlijk ook. Die heeft daar voor nop gezeten hé, want hij is later vrijgesproken. Die mensen zijn wel in het nieuws geweest hé! Allemaal uit Nieuwmoer. Maar in Braken is er niets, nada. Geen winkel, geen postkantoor, geen broodautomaat. Voor wie in Braken woont is Nieuwmoer een wereldstad.  Braken is een vlek met een bushalte. Er staan oerlelijke huizen waar oerlelijke mensen wonen. Iedereen heet er Vorsselmans of Ansoms. Of Van Looveren. En die trouwen dan onder elkaar. Zal ik u het resultaat van die inteelt beschrijven?
Ik weet dat ik zelf niet van de knapste ben , maar in Braken ben ik een schone vent. In  Braken kijken de vrouwen naar mij om. Ik heb geen ros haar, mijn ogen staan niet te dicht bijeen, ik heb geen flaporen. Ik zie er niet debiel uit.



Excuseer?
Of ik Braken geen grappige naam vindt voor een gehucht?
U bent niet de eerste die dat vraagt.
Maar wij gebruiken dat woord niet in die betekenis. Wij zeggen spouwen, of brokken, of gewoon overgeven.
Nu ben ik wel mijn draad kwijt.
Wacht een secondje.

Ja, oké, in de camera kijken.
Zit ik aan mijn neus te trekken? Ik zal mijn handen op mijn knieën leggen, gelijk de voetballers op de groepsfoto.

Ik kan mij nog altijd geweldig opwinden over Braken.
Ook nu ik zelf in Gooreind woon. In Oud-Gooreind om precies te zijn. Niet te verwarren met het Gooreind centrum of met Boerengooreind, want dan spreken we over een ander soort mensen. De gebroeders Van Hooydonck zijn van Gooreind, maar ik weet niet van welke kant precies. Ik moet dat eens navragen, want hier is dat van belang. Wat zegt u? Rinkelt er geen belletje? Edwig Van Hooydonck won twee keer de Ronde van Vaanderen, hij demarreerde altijd op de Bosberg. Hij is gestopt met koersen toen hij van kampioen ineens meeloper werd, omdat hij niet aan de Epo zat. Zijn broer Gino is ook coureur geweest, maar die zou ook mét Epo een meeloper zijn gebleven. Hoewel, Gino heeft in 1989 de Dokter Tistaertprijs gewonnen in Zottegem. Daar willen veel beroepsrenners voor tekenen. Denk ik hé, ik heb dat ook maar in de gazet gelezen. Ik lees Het Laatste Nieuws.

Ik ga mijn adres hier niet verklappen, want morgen is er weer een dag. Morgen moet ik weer het huis uit, de auto in, naar mijn werk in Brussel. En ’s avonds terug. De Delhaize van Wuustwezel is tot half zeven open. Dat haal ik nog net.



In Oud-Gooreind kennen ze mij als die rare kwiet uit Braken. Dat is de schuld van mijn ouders. Mijn vader rijdt iedere avond stapvoets door mijn straat, gelijk de politie op patrouille. Om halfnegen precies passeert hij in zijn Mitshubisi, ik kan er mijn klok op gelijk zetten. En of er nu nog een auto achter hem rijdt of niet, dat kan hem gewoon niet schelen. Hij stopt voor mijn deur en hij claxonneert. En als ik dan niet rap aan het raam verschijn en teken doe dat alles onder controle is, zet hij zijn dubbele knipperlichten aan en komt aanbellen. Correctie: hij zet zijn vinger op de bel en laat die niet meer los tot ik kom opendoen.
Kunt u zich dat voorstellen?

“Is er geen belet?” vraagt hij dan, maar hij komt niet binnen. Hij blijft op de dorpel staan; hij loert over mijn schouders naar binnen, spitst zijn oren of hij geen stemmen hoort.
“Is dat de televisie die opstaat?”
Nee, de Chiromeisjes van Gooreind zijn in de living aan het paaldansen. In hun bloot gat.
 “Alles wel op den buro?”
Zoals hij het zegt klinkt het als:
 “Alles wel in het gesticht?”
Hij merkt niet eens dat ik razend kwaad ben omdat hij mij behandelt als een achterlijk kind.
‘De groeten van uw moe.”
En weg is hij. Zijn plicht is weeral volbracht. Ik mag dan wel negenentwintig jaar oud zijn, het kan geen kwaad om nog wat op mij te letten.
Iets in die trant vertelt hij ook aan de automobilist die de hele tijd ritmisch met zijn vuist op zijn claxon heeft getrommeld omdat hij niet kon passeren. Mijn vader wijst naar mij en haalt zijn schouders op.
‘Op mij moet ge niet kwaad zijn. Daar in het deurgat staat het probleem.’
Als hij zijn Mitsubishi start en wegrijdt, zie ik alle gordijntjes in de straat bewegen.


 
Mijn moeder is erger dan mijn vader. Twee keer in de week komt ze ongevraagd kuisen bij mij. Op dinsdag en op vrijdag. Op dinsdag met de stofzuiger, op vrijdag met nat.
De sleutel heeft ze van de huisbaas afgetroggeld.
“Allez, mijnheer Ribbens”, ging ik reclameren, “ge kunt toch geen huissleutels aan andere personen geven zonder mijn toestemming?!.’
Mijn protest maakte weinig indruk op de huiseigenaar.
‘Uw moeder is toch geen vreemde?”
En ik zag hem erbij denken:
“Zo blijft dat gelijkvloers tenminste proper, want met die jonkmannen….”
Maar mijn moeder komt niet kuisen. Ja, ze zet de stofzuiger aan. Ja, ze vult een emmer met warm water en giet er een scheut Mister Proper bij. Ja, ze schuift wat met de stoelen. Ja, ze schudt de donsdeken op.

 



Wat is dan het probleem, zult u zeggen?

Het probleem is dat mijn moeder in feite twee keer per week huiszoeking komt doen in mijn gelijkvloers. Het kuisen is maar alibi. Ze kuist ze niet graag. Ze kuist ook niet goed. Ik heb iedere zaterdag dik mijn werk om dat appartement écht proper te krijgen en te houden. Om de bruine vingerafdrukken die ze overal achterlaat weg te vegen. Mijn moeder is een kettingrookster. Ze smoort Groene Michel zonder filter, echte smeerlapperij. Haar vingers zijn zo vies van de nicotine dat ik mij niet meer door haar laat aanraken. Iets wat ze toch voortdurend wil doen, niet uit genegenheid, ze weet niet eens wat dat is, maar om mijn gezicht en mijn nek en mijn hals en mijn polsen en mijn armen en mijn kleren te onderzoeken. Of ik geen zuigplekken heb of puisten van vuile ziektes of sporen van nagels of gaten van injectienaalden of vlekken van bier of sterke drank of zaad.
Soms zie ik in haar ogen het verlangen branden om mijn broek naar beneden te trekken en mijn ondergoed te inspecteren. Ze durft niet. Ze is bang dat ik haar dan zou slaan. Ze vergist zich. Ik zou niet durven. Maar dat weet ze niet. En zo gebeurt er niets. Blijven we elkaar beloeren.



Twee keer in de week controleert mijn moeder alle kasten en alle laden van mijn appartement. Ze maakt mijn zakken leeg, ze kijkt na wat er in de vuilbak zit. Ze neemt mijn was mee die ze dan bij haar thuis ook nog eens centimeter per centimeter nakijkt. Ze maakt de post open: mijn loonbrieven, de rekeningen, de uittreksels van de bank. Ik krijg bijna nooit persoonlijke brieven, op wat vakantiekaartjes na. Ik krijg mijn post van de dinsdag en de vrijdag pas te zien als ik op zondagmiddag bij mijn ouders ga eten. In Braken dus. Ik moet daar om half twaalf zijn en ik mag niet eerder weg dan vier uur. Dat is de stilzwijgende afspraak. De afspraak is ook dat ik niet wegga zonder honderd euro op de commode achter te laten, in briefjes van tien en twintig, want dat is gemakkelijk voor de winkel. Die honderd euro zijn zogezegd voor de was en de plas en voor het zondagse eten. Maar eigenlijk betaal ik smartengeld, smartengeld omdat ik het ouderlijke huis heb verlaten zonder feitelijke reden. En er is in de ogen van mijn ouders maar één geldige reden: het huwelijk.

Ik wil het hier niet hebben over de meisjes en jonge vrouwen die ik mee naar huis heb gebracht om ze aan mijn ouders te presenteren. Het zou mij te ver leiden.

Moet ik er toch iets over vertellen?



 Zoveel waren het er nu ook weer niet, maar toch vijf of zes. Anita, Wendy, Chris, Veerle, Rebecca. Vijf dus, geen zes. Geen van die meisjes is meer dan twee keer bij ons thuis geweest. Rebecca maar één keer.
‘Zijt ge een Jodin?’ vroeg mijn moeder zonder omwegen.
Het was een vrijdagavond. We zouden naar een fuif in Achterbroek gaan.
Het arme kind had nog maar goed en wel haar jas aan de kapstok gehangen.
Ik zie nog de verbijstering in de ogen van Rebecca. Ze was uit Wernhout, dat is een kilometer de grens over. Ze spreken daar ongeveer hetzelfde dialect als bij ons in Braken. Ja, ge hoort er een tikkeltje Hollands in. Maar Rebecca was in Wuustwezel naar school geweest, bij de zusters van Maria Immaculata. En ze werkte in de sigarenfabriek van Verellen in Gooreind. En haar ouders hadden Rebecca gewoon een mooie naam gevonden.
Ze had blauwe ogen en kort blond haar. Ze was een beetje breed in de heupen misschien. Maar er zat zoveel leven in Rebecca. Ze was zo open, zo zelfverzekerd. Ik was smoorverliefd op haar. Ze was mijn reddingsboei. Dacht ik. Hoopte ik.
Met haar blauwe ogen keek ze eerst heel verbijsterd en dan heel verdrietig van mijn loerende moeder naar mijn stuurse vader. Ik zag dat ze tegen haar tranen moest vechten.
‘Kom Luc, we gaan’, zei ze tenslotte.
‘Ik heb water opgezet voor koffie’, zei mijn moeder verongelijkt.
‘Houd uw bakkes, moe!’ heb ik tussen mijn tanden gesist.
Mijn vader heeft mij nog iets nageroepen, maar ik was al buiten.

 



In de auto naar Achterbroek hebben we niets tegen elkaar gezegd. Ik schaamde mij zo diep. Rebecca wilde mij niet kwetsen. Op de fuif heeft ze me bedankt voor de lift en ze heeft een pintje voor mij gehaald. Dan heeft Rebecca zich op de dansvloer gestort. Ze heeft niet meer naar mij omgekeken. Ze is om drie uur ’s nachts met Kurt Van Looveren meegegaan. Kurt is ook een danser. Dat is nu goed een jaar geleden. Ik heb gehoord dat Rebecca in verwachting is.
Die nacht heb ik het huis van mijn ouders in brand willen steken. Heb ik ze met de bijl uit het houtkot willen vermoorden. Ik was zat, ik was poepeloerezat. Ik zou alles gedurfd hebben. Maar ik moest mij zo concentreren op het autorijden,  van Achterbroek naar Braken, dat mijn woede half bekoeld was toen ik de oprit van het ouderlijk huis opreed. Ik heb mijn auto opzettelijk in het bloemperk geparkeerd. Ik heb tegen de achterdeur gespouwd.  Ik heb in de keuken de koffietassen die al klaar stonden voor de volgende ochtend aan gruzelementen gegooid. Mijn ouders lieten zich niet zien. Ze kennen mij wel een beetje. Zaterdagnamiddag ben ik met schele hoofdpijn en een bleke kop op zoek gegaan naar een eigen plek om te wonen. Tegen zes uur had ik het huurcontract voor mijn gelijkvloers in Gooreind al getekend.
In Braken stond mijn eten op tafel koud te worden. Ik heb het huurcontract naast mijn bord gelegd en ik ben frieten gaan eten in Wuustwezel. In café De Postiljon heb ik op mijn gemak pinten zitten drinken en naar de voetbal op tv zitten kijken, tot ik mij mans genoeg voelde om mijn ouders te trotseren. Het was halféén maar ze waren nog op. We kennen elkaar een beetje. Toen zijn we min of meer de voorwaarden voor de scheiding overeen gekomen.

 



Zou ik een glas water kunnen krijgen? Ik ben al een half uur aan het spreken, ik ben dat niet gewoon. Mijn keel is helemaal droog.
Merci.
 Kan ik geen glas krijgen, ik drink niet graag uit het flesje.
Ja ik weet ook wel dat het hier geen café is.
Kunnen we vijf minuten stoppen?
Oké, oké, u bent de reporter.
Nee nee, ik ben niet vergeten wat we hebben afgesproken.

Ik was dus aan het vertellen over mijn moeder die de post van dinsdag en vrijdag meeneemt en hem dan geopend teruggeeft als ik op zondag bij hen ga eten. De teruggave gaat onveranderd vergezeld van commentaar over mijn verloning, over mijn spilzucht in de Delhaize, over de hoogte van mijn gasrekening.
 Het komt niet in haar hoofd op dat ze van mijn post moet afblijven, dat er zoiets bestaat als het briefgeheim, het komt niet in haar hoofd op om zich te excuseren.
‘Ik ben wel uw moeder hé!’
Ik hoor het haar al zeggen. En dus protesteer ik niet.
Alles wil ze weten.  Waarom ik die dag op dat uur honderd euro cash heb afgehaald. In Brussel, aan de automaat van Fortis van de Anspachlaan. Met wie ik in Antwerpen naar de cinema ben geweest (ik was moederziel alleen, maar dat staat niet op het ticketje) en naar welke film, waarom ik mijn auto in Brasschaat heb geparkeerd, en was er geen straat waar ik niet moest betalen om te parkeren?

 



Wat haar het meest intrigeert, wat zeg ik, wat haar mateloos stoort is mijn gsm-rekening. Ik kan aan haar ogen zien dat er factuur van Proximus gekomen is ,zo kwaad staan die dan als ik op zondag tegen de middag de keuken binnenstap. Ik kan aan het papier dat op tafel ligt zien dat ze de rekening uit frustratie verfrommeld heeft en daarna weer glad gestreken. Soms zitten er scheuren in, als de factuur haar meer dan gewoonlijk heeft opgeboeid.
Omdat ze beseft dat die gsm mijn geheim is. Mijn moeder kan niet verdragen, dat ze iets niet weet van mij. Dat ik geld uitgeef aan iets waar ze geen greep op heeft. Mijn gsm is na de huur die ik betaal voor mijn gelijkvloers mijn grootste uitgavenpost. Gemakkelijk driehonderd euro per maand, soms nog wat meer, bijna nooit minder.
‘Driehonderdtwintig euro! Met wie belt gij allemaal? En wat zijn al die tekstberichten?’
Ze weet ondertussen dat tekstberichten eigenlijk sms’jes zijn.
Ik lach dan eens flauwtjes, maar ik zeg niets.
Dat staat er namelijk niet bij, op de factuur, met wie ik bel en naar wie ik sms. Op mijn uitdrukkelijk verzoek laat Proximus de nummers onvermeld. Er zijn meer mensen die dat doen.
 Ik heb geen vaste telefoon. Ik heb ook geen computer met internet thuis. Mijn moeder kent wel niets van computers en internet, maar ze zou zolang op alle toetsen drukken tot het ding kapot is.
 Iets wat ze niet begrijpt, iets waar ze niet aan kan, mag ik niet in huis hebben, dat is ongeveer de redenering.
Van de werking van mijn gsm begrijpt ze niets. Ook dat maakt mijn moeder kwaad. Ze haalt hem ongegeneerd uit mijn jaszak of ze pakt hem uit mijn handen en dan begint ze met haar dikke rode vingers mijn nieuwe Nokia te bepotelen. Ik herinner mij nog haar triomfantelijke grijns toen ze er voor de eerste keer in slaagde om de toetsenblok vrij te maken. Ze had zich dat door de geburen laten uitleggen, hoe dat moest. Eindelijk zou ze mijn geheim kennen. Maar ik ben niet stom. Er staat een code op de essentie van mijn gsm: op mijn telefoonboek, op mijn berichten, op de oproepinfo. De rest is niet interessant, of niet van belang.

Mag ik nu stoppen over mijn moeder?
Dat wordt er toch uitgeknipt hé?
Als ze op tv zou zien wat ik allemaal over haar vertel…
Ik bedoel, ze zou een attaque krijgen.
Kan ik nog wat water krijgen? Mijn tong is precies van karton. Ik ben al dat praten niet gewoon.
Een pintje zou er ook wel ingaan. Maar dat is hier zeker niet te krijgen?
Sorry, ik zal er niet meer over zagen.

 



Oké. De gsm. Want daar gaat mijn straf verhaal eigenlijk over hé, over de vrienden die ik gemaakt heb via mijn gsm.

Enfin, ik rijd dus alle werkdagen naar Brussel in mijn Fiesta. Ik werk in de Hoofdstedelijke Bibliotheek, aan het Muntplein. Ver van huis, maar ja, hoe komt dat? Meegedaan aan examens hé. Hoeveel mensen gaan er niet iedere dag in Brussel werken, uit alle hoeken van het land? Ge hebt het niet altijd voor het uitkiezen hé. Ik heb eigenlijk wel een toffe job. Ik moet alle nieuwe boeken die binnenkomen plastificeren, zodat ze tegen een stootje kunnen. Want zo’n boek uit de bibliotheek, dat gaat door vele handen hé. Dat is eigen aan een bibliotheek, natuurlijk. Een mens vraagt zich soms af waar en wanneer zo’n boek uit de bibliotheek gelezen wordt. Meestal aan tafel, als ge het mij vraagt, want de kruimels en de vlekken die waarmee de bibliotheek soms boeken  terugkrijgt!  Ik kan het weten, want de boeken die te vies zijn geworden om nog uit te lenen, komen opnieuw in mijn handen. Ik moet dan beslissen of ze definitief zijn afgekeurd, of dat er nog iets van te maken valt. Soms krijg ik er nog aangekoekt vuil uit met een scheermes. Soms kan ik dingen weggommen die de mensen in hun boek hebben bijgeschreven. Maar als er bladzijden gescheurd zijn of als het boek in het water is gevallen, dan is er natuurlijk geen repareren meer aan. De mensen hebben niet veel respect voor zaken die hun eigendom niet zijn, neem dat van mij aan.

Of ik ter zake kan komen?
Ik moet toch vertellen dat ik in Brussel werk?!
Begin ik op uw zenuwen te werken?
Zullen we er dan maar mee stoppen?
Of een andere dag afspreken?
Gewoon voortdoen?
Oké, aan mij ligt het niet.



Ik rijd met de auto naar mijn werk in Brussel omdat er aan onze kanten geen treinen rijden. Het dichtstbijzijnde station voor ons is Kalmthout. Ik ben rapper op de E19 dan in Kalmthout, dan is de keuze snel gemaakt hé. Als de TGV rijdt, over een paar jaar, ja dan misschien, want ik heb horen zeggen dat er een stopplaats in Brecht zou komen. Hoewel, die trein is niet gemaakt voor pendelaars met een sociaal abonnement hé. Die TGV is er voor het betere volk, die nu in eerste klasse reizen.
Ik rijd dus in Brecht de E19 op, dat kost mij minder dan vijf minuten van bij mij thuis in Gooreind. Maar dan begint het. Dikwijls staat daar het verkeer in de richting van Antwerpen al stil. Er zijn maar twee rijstroken hé. Maar kom, soms gaat het ook heel vlot. Tot aan het viaduct van Merksem, daar is het bijna altijd prijs. Tenzij op vrijdag, dan is er echt minder verkeer. Maar de andere dagen is het aanschuiven van Antwerpen Noord tot aan de afslag naar de Craeybeckxtunnel, naar Brussel dus. Die vijftien kilometer over de Antwerpse ring, dat is een klotestuk. Dat is daar voor iedere meter een gewring en een gewroet en een gewriemel, ge houdt het niet voor mogelijk. Auto’s die van links naar rechts slalommen, camions die bijna in uw gat rijden, die u de pas afsnijden, opgestoken middenvingers, geclaxonneer, gepiep van remmen. Ge kunt uw aandacht geen seconde laten verslappen of ge hebt prijs. Ik ben altijd blij als ik dat stuk voorbij ben.
Vroeger dacht ik dan: allez ,op naar de volgende file. Want de volgend file begint aan Mechelen Noord. Daar kunt ge bijna uw kop op verwedden, op die file. Maar tegenwoordig denk ik: hopelijk staat mijn file daar al, hopelijk verloopt het verkeer niet voor één keer vlot tussen Mechelen en Brussel.

 



Ik zie u lachen als ik het over mijn file heb. Eigenlijk moet het onze file zijn, de file die ik deel met mijn sms-vrienden. Ik snap wel dat het raar klinkt als iemand zegt dat hij uitkijkt naar een file. Maar daar gaat mijn verhaal nu net over. Dat wilt u toch horen hé?
Mag ik niet zo dikwijls “hé” zeggen?
Werkt dat ook al op uw zenuwen?
Ha, op de zenuwen van de kijkers.
Sorry. Ik zal proberen om erop te letten.

Waar was ik gebleven?
Wel ja, dat ge dus na de Craeybeckxtunnel  ongeveer twintig kilometer kunt doorrijden en dat ge dan opnieuw stilstaat, of zo goed als. En dat het dikwijls een uur duurt om die laatste dertig kilometer af te leggen. Op een uur kunt ge veel doen hé.
Sorry!
Ge kunt dus veel doen op een uur. Ik ben beginnen letten op wat mijn lotgenoten in de file zoal doen om de tijd te doen passeren, tussen het gas geven en het opnieuw stoppen, vijftig meter verder. Ik zag mensen in hun neus peuteren, ik zag mensen de krant lezen, ik zag mensen in de spiegel kijken naar de auto’s achter hen, ik zag mensen roken, ik zag mensen ontbijten, hun make-up soigneren , ik zag mensen telefoneren en natuurlijk sms’en. En vooral, ik zag dikwijls dezelfde mensen terug. Want iedereen heeft zijn vast uur om te vertrekken en rijdt zich dan op ongeveer hetzelfde tijdstip vast in de file die begint aan Mechelen Noord.  Een zwarte man in een grote camionette van DPD. Dat betekent Distribution Presse/Pers Distributie, weet ik nu. Een mens van een jaar of veertig met een baard en een sticker van Radio1 op zijn achterruit. Een jong meisje in een geblutste Fiat Panda. Een gast met gel in zijn haar in een Smartje. Een vrouw van mijn leeftijd met een bril die altijd in een soort cursus leest. Twee oudere mannen in een Opel met een aanhangwagen.
 En wat mij nog opviel: iedereen in die file ziet er meestal slecht gehumeurd uit. Dat mag geen verbazing wekken hé. Een mens is graag meester over zijn eigen lot. Een mens verliest niet graag zijn tijd. En dan gaat een mens stuurs kijken.
Toen heb ik dat idee gekregen.

 


 We stonden met honderden vast tussen Mechelen Zuid en Zemst, al goed tien minuten had de file niet meer bewogen. Dat is ook het moment waarop de grootste ongeduldigaards  hun SUV naar de pechstrook beginnen te piloteren om de file langs rechts voorbij te rijden. Ik kan dat verdragen als we dichtbij een afrit zijn. Het zou niet mogen, maar ik kan er nog begrip voor opbrengen. Maar er zijn dus kerels die vinden dat de pechstrook hun persoonlijke rijvak is. Eén keer werd ik daar zo kwaad over dat ik ook de pechstrook ben opgereden. Ik had in mijn achteruitkijkspiegel een zwarte jeep zien aankomen. Ik rijd dus heel traag voor die jeep uit, tegen twintig per uur misschien. De kerel in die jeep krijgt het op zijn  zenuwen, begint met zijn grote lichten te schijnen en te toeteren. Waarop ik mijn dubbele knipperlichten aanzet en stop naast een vrachtwagen. Het was een camion van Van Dievel, met zo’n duiveltje erop, dat herinner ik mij nog. Ik stap uit, doe de motorkap van mijn Toyota naar omhoog, want ik had zogezegd motorpech, begrijpt u?  Net als ik over de vangrail wil klauteren, voor de veiligheid, springt de kerel die achter mij geblokkeerd staat uit zijn jeep en trekt mij bij de kraag van mijn jas achteruit. Als ik achteruit kijk zie ik dat zijn gezicht helemaal rood en verwrongen is van kwaadheid. Mensenlief wat een lelijke smoel had die man! Ik kan mijn evenwicht niet bewaren en val languit op mijn rug op het asfalt. Begint die kerel toch wel niet op mij te stampen en te trappen zeker. En om te hebben hé! Het heeft minuten geduurd voor er mij iemand ter hulp schoot. We stonden natuurlijk wel wat verborgen achter die camion, maar dan nog. En minuten duren lang als ge probeert uw gezicht en uw weke delen te beschermen tegen een dolleman die stampt waar hij u raken kan. Enfin, iemand springt tussen ons in en probeert die razende zot te kalmeren. Een andere automobilist – ik denk de chauffeur van die camion, trekt mij recht, klopt het stof van mijn kleren, klapt de motorkap van mijn Toyota neer en duwt mij achter het stuur.
‘Allez, maak dat ge weg zijt, en rap!’
‘Ja maar, de politie…’ probeerde ik nog tegen te sputteren.
‘Denkt ge dat die niks anders te doen hebben?’
Ik ben doorgereden, over de pechstrook, maar het heeft lang geduurd voor iemand mij opnieuw in de file wilde opnemen. Wisten die andere automobilisten veel wat ik juist had meegemaakt! De zwarte jeep heb ik niet meer gezien. Nooit meer.



Wat zegt u, moet ik het wat korter maken?
Hoeveel tijd hebben we nog?
Tien minuten, oei, dat is niet veel.

U hebt nog ander werk?
Ja natuurlijk begrijp ik dat.
Ik zal mijn best doen.

Ik kreeg dus het idee om kennis te maken met al die andere mensen in de file. Niet op de dag van dat gruwelijke incident op de pechstrook natuurlijk. Dat heb ik maar verteld omdat het mij te binnen schoot. Ik zag er trouwens lief uit toen ik op mijn werk aankwam. Vuile, gescheurde kleren, mijn gezicht vol vegen, mijn ene oog half dicht getrapt. Mijn ribben deden zeer en ik had overal blauwe plekken. Mijn chef heeft mij terug naar huis gestuurd.
‘Ga met de trein, ge zult u veiliger voelen’, zei hij.
Ja, dat zal wel.
En wat nog het ergste was: dat met die kerel van die zwarte jeep is op een vrijdag gebeurd, en tegen de zondag waren de sporen in mijn gezicht natuurlijk nog altijd goed zichtbaar. Ge had mijn moeder moeten horen!

Wablieft? Heb ik weer “hé” gezegd?
Ah, het moet vooruitgaan.
Was ik weer aan het afdwalen?
Het zal niet meer gebeuren, ik beloof het.



Wel, de week daarop heb ik een stuk karton tegen de ruit van mijn Toyota geplakt, met de tekst:
LEER MIJ KENNEN, SMS NAAR 0471/797204
Dat heeft direct gemarcheerd. Dat was eigenlijk een ongelooflijk succes. Tussen Mechelen en Vilvoorde heb ik die dag wel twintig sms’jes gekregen. Er waren ook mensen die belden, maar bellen aan het stuur vind ik gevaarlijk, en ik heb zo geen hands free set. Bovendien vraagt bellen tijd, terwijl ge in een sms’je met weinig woorden veel kunt zeggen.
Wat er in die sms’jes stond?
Heel simpele boodschappen waren dat: “Hoi”, en “Duurt lang vandaag” en “Ik rijd nu voor u” en “Sympathiek initiatief” en “Hoe noemt ge?” en “Ik ben Dave” en “XXXXX van Cindy” en “Grave gast!” en “Stopt ge op de parking?”. Dat soort dingen.
En ik heb iedereen een antwoordje gestuurd:
“Ik ben Luc. Wat wilt ge van mij weten?”
Of
“Ik ben Luc. Ik wil vrienden maken in de file.”
En zo is de bal aan het rollen gegaan. Een paar dagen later was ik niet meer de enige met zo’n karton achter zijn ruit. En na twee weken waren er al tientallen mensen  die met een blij gezicht achter het stuur zaten te sms’en.
‘Waar werkt ge?’ ‘Waar woont ge?’ ‘Wat zijn uw hobby’s?’ ‘Zijt ge getrouwd?’ ‘Hebt ge kinderen?’  ‘Hebt ge gisteren de match gezien?’ ‘Straf hé wat Pol heeft uitgestoken in Thuis.’ ‘Hebt ge straks goesting in een koffietje?’ ‘Wilt ge niet stoppen op de parking?’ ‘Ge zijt een knappe vent.’ ‘Ik sta heet.’ ‘Ik ben mij aan het aftrekken, kunt ge het zien?’
Ja, er zijn natuurlijk altijd mensen bij die iets anders willen dan vriendschap, ge kunt dat niet uitsluiten. Bij mij is het altijd alleen om de vriendschap te doen geweest. Ik heb nu wel honderd namen in het geheugen van mijn gsm staan, waar ik ‘F’ heb aan toegevoegd, de F van file.
En wat heel plezant was: iemand van mijn filevrienden kende een journalist van Het Laatste Nieuws, en zo ben ik met mijn vriendschapsactie in de krant gekomen. Met een foto erbij. Een getrukeerde foto, moet ik er wel bijzeggen, want de fotograaf was te laat op de plaats van afspraak aan de parking van Vilvoorde, en dan is er iemand naar Gooreind gekomen en heb ik gedaan alsof ik achter het stuur zat te sms’en.

 



Zo, ik ben klaar met mijn verhaal.
Wablieft, wat heb ik nog niet verteld?
Dat van die Kosovaarse truckers?
Neen, dat ga ik absoluut niet voor de camera vertellen!
Hoe dat maakt het verhaal wat minder saai?
Daar kan geen sprake van zijn!
Ik heb u dat triestige verhaal van die truckers in vertrouwen verteld, in vertrouwen!
Ja, natuurlijk is het waar gebeurd. Denkt u dat ik zoiets zou verzinnen?
Ja die gasten hebben mij er in geluisd.
Ik ben daarna nooit meer op een parking gestopt als iemand dat vroeg.
Ik wilde tonen dat ik geen racist ben. Dat ik ook vrienden wilde zijn met buitenlandse chauffeurs.
Ze zegden dat ze broers waren, dat ze altijd drie weken of een maand van huis waren met hun vrachtwagen. Dat ze maar een beetje Vlaams kenden. Hun sms’jes stonden altijd vol Duitse woorden. Dat ze wilden laten zien hoe ze in hun camion woonden, met hun tweeën.
Ja, dat is slecht afgelopen. Ik heb het u allemaal verteld, maar in vertrouwen.
Wat zegt U?
Gaat u dan helemaal niets van mijn verhaal gebruiken?
O maar dat is gewoon chantage.
Wat zegt u?
Dat ik er niet alle seksuele details bij moet vertellen?
Dat zou er nog aan mankeren! Ik vertel helemaal niets.
Wat? Wàààààààààààt?
Dat durft u niet! Ik verbied het u. U gaat geen copie van de tape aan mijn ouders bezorgen. U bent gewoon een smeerlap. Ik verbied het u, hebt u dat goed gehoord?!
Wat zegt u?
Dat ik een document heb ondertekend. Dat ik geen enkel recht heb op de tape.
Dat ik maar beter ook dat verhaal van die Kosovaren kan vertellen, in de camera.
U bent een smeerlap en een woordbreker. U hebt mij in de val gelokt. Is het zo dat al die reportages worden gemaakt? Het is een schande, dat is het!
En gij daar, achter uw camera, wat staat ge daar te lachen als een onnozelaar.
Wat zegt u?
U zult mij onherkenbaar maken, met zo’n vlek voor mijn ogen.
En mijn stem dan?
Denkt u dat niemand mijn stem zal herkennen?
Ik heb niet veel keus zeker.
Als mijn ouders hier maar niets van horen. Ze zouden het besterven.
Als ik maar onherkenbaar ben op televisie.
Wilt u dat op papier zetten, want ik geloof uw mooie woorden niet meer.
Nee nee, eerst uw verklaring op papier, en dan pas mijn wedervaren met die Kosovaren.
Wat zegt u, toch alle details erbij?

 

copyright Louis van Dievel

zaterdag 3 mei 2008

Verhaal: 'De Stevenisten'

 

 

III

(Beste lezers, hieronder deel III van de beloofde verhalen. Ook is dit is waar gebeurd. ik heb er verslag over uitgebracht voor het radionieuws. Misdaadverslaggeving was toen nog not done. Volgende week doe ik u een wat langer verhaal cadeau dat alleen nog maar in het bekende literaire blad Che heeft gestaan. Veel leesplezier. LvD)

 

III.


De vrouw heeft de auto niet de weg naar boven horen oprijden. Plots draait de Opel door de blauwe poort het erf op en stopt. Het is een mooie dag in mei. Het jaartal is 1987.  We bevinden ons in Bogaarden, in het Pajottenland, ten zuiden van Brussel. Het landschap is er lieflijk glooiend. Menige Brusselaar heeft hier een boerenhuisje opgekocht en opgeknapt, als weekendverblijf. Maar er wonen ook nog echte Brabanders. Er is nog open ruimte. De mensen zijn gereserveerd maar vriendelijk tegenover de inwijkelingen uit de stad. De vrouw vult een gegalvaniseerde emmer aan de pomp. Ze wil de kippen fris water geven. En de hond. Zowel de kippen als de hond hebben de onhebbelijke gewoonte om hun drinkbak om te kieperen. Daar is niets aan te doen. Het zijn maar dieren, ze weten niet beter.

 

Een schietgebed

 


De vrouw prevelt een schietgebed als de onbekende blauwe Opel in het midden van het erf halt houdt en de al even onbekende bestuurder achter het stuur blijft zitten. Minutenlang. Ze zou haar man willen roepen, maar die is in de stal bezig met een kalvende koe, een werk dat niet onderbroken kan worden. Ze zou haar vader kunnen roepen, maar die bereidt de kerkdienst van volgende zondag voor aan de keukentafel. Haar vader is voorbidder in de kerk van Halle voor de Stevenisten. Die zijn nog met een stuk of vierhonderd in het Pajottenland. Ze belijden een onschuldige, wat oubollige variant van een onmodisch katholicisme.
Als de bestuurder van de auto eindelijk uit de auto stapt, begint de hond woest te blaffen en aan zijn ketting te rukken. De hond wordt Tibo genoemd. Hij is een verbasterde scheper met een ruige vacht. Een luie hond ook, geen waker. Normaliter beweegt hij amper zijn kop als er bezoek is op het erf. Hij herkent de meeste bezoekers aan hun stem en aan hun geur. Er komen nooit vreemden op bezoek.

 

Een punt 22 karabijn

 


De bezoeker heeft een geweer in zijn hand. De vrouw kent niets af van geweren. Ze weet niet dat het wapen een punt 22 karabijn is. Ze denkt in paniek aan haar twee zonen die thuis zijn. De ene zit te studeren, de andere ligt op zijn bed met erge tandpijn. Er klinkt een schot. De hond blaft niet meer. De bezoeker richt het wapen op de vrouw. Hij is groot en slank, heeft roodblond haar, scherpe gelaatstrekken. Zijn gezicht en zijn bovenarmen zijn gebruind.
De deur van het woongedeelte gaat open en de oude vader van de vrouw verschijnt op de dorpel. Een seconde later zijgt hij neer, met een kogel in de borst. Alles gaat snel dan. De vrouw wil gillen, maar het geluid blijft in haar keel steken, net als de kogel die haar daar raakt. Ze brengt haar handen naar haar keel, het bloed stroomt langs haar armen, bevlekt haar kleren, druppelt  op de oude kasseien van het binnenerf. De vrouw ziet nog hoe een van haar jongens naar buiten komt gelopen, hij struikelt bijna over het lijk van zijn grootvader. Twee hevige knallen, een gesmoorde kreet. De zoon is op slag dood. Net voor ze in elkaar zakt, bidt de vrouw nog tot God, opdat die haar andere jongen zou willen sparen. Dan weet ze niets meer. Dat vindt ze het ergste, dat ze moet sterven in onzekerheid.

 

Het is een mirakel

 


Maar haar gebed wordt verhoord. Dat gebeurt soms nog. De tweede zoon overleeft zijn schotwonden.
Als enige overleeft hij het bloedbad dat door de schutter wordt aangericht. Het is een mirakel.
Haar man probeert nog te vluchten, maar hij krijgt een kogel in de schouder, en daarna in de rug. Haar oude moeder is geen partij voor de koele schutter.
Bij de buren – in een boerderij 300 meter verderop – heeft de moordenaar niet zolang daarvoor een jonge vrouw en haar kind van drie doodgeschoten.

 


Later op de middag opent hij het vuur op zijn schoonvader en diens moeder. Ze lopen slechts lichte verwondingen op. ’s Avonds, in het nauw gedreven door de rijkswacht, pleegt de dader zelfmoord. In het plaatsje Sirault, in de provincie Henegouwen.
Er zijn vermoedens dat hij aan amfetamines verslaafd was.
Hij wilde beroepsrenner worden, had voor zichzelf al een carrière uitgetekend, maar hij kon niet eens volgen bij de liefhebbers.

Bestaat er een hiernamaals van waaruit de afgestorvenen op de aarde kunnen neerkijken? Een plaats waar alle stukjes van de levenspuzzel samenvallen en er antwoorden zijn voor alle vragen van “waarom”?  De vrouw heeft zich de vraag nooit gesteld. Voor haar was geloven een evidentie. Na haar dood zou de Heer voor haar zorgen. De praktische invulling van die kwestie was nooit aan haar besteed geweest. 

 

copyright Louis van Dievel

zaterdag 26 april 2008

Verhaal: 'De Antwerpse ring in 1979'

(Dames en heren, de familieroman nadert zijn voltooiïng. Eind mei zou het manuscript naar de uitgever moeten gaan. Ik moet bekennen dat ik me nog nooit zo onzeker heb gevoeld als over dit project en dat er zelfs faalangst onder mijn stoere bast is geslopen. Ik zou willen dat het al zes maanden later was. Maar genoeg ontboezemingen! Toen ik vorig jaar besliste om een familiegeschiedenis te schrijven, was ik eigenlijk bezig met een heel ander project: een roman met als werktitel 'Voor ik Doodga". De roman begint met een proloog, en die proloog bevat drie waar gebeurde verhalen waarin de dood een markante rol speelt. Het tweede van die drie zet ik nu op het net. Veel leesplezier.)

 

II.

De vrachtwagenchauffeur is een man van middelbare leeftijd, geen nadere specificaties. Of toch: zijn naam. De chauffeur heet Jacques en zijn vrouw (of lief of hond of kat of paard, dat valt niet met zekerheid te stellen) heet Milou. Zo staan de beide namen vermeld op de bordjes die links en rechts de voorruit van zo menige truckerscabine plegen te sieren.  En hij komt uit Frankrijk. De nummerplaat van zijn oplegger eindigt op het cijfer 56, dat moet ergens in de Elzas zijn. Het jaar is 1979, de plaats is de Antwerpse ring. Het is een donderdag in mei, kwart over vijf, spitsuur. Er rijden maar half zoveel auto’s als nu, de ring is twee rijstroken smaller.

 

Orange Marmelade

 

De chauffeur is een vracht gaan ophalen in de haven van Calais: veertig pallets beladen met potjes Engelse confituur: Orange Marmelade van MacKay.
De vracht moet naar een distributiecentrum in de buurt van Breda. De chauffeur is er nog niet eerder geweest. In de borstzak van zijn groene werkpak zit een ruwe schets die een collega-trucker voor hem heeft getekend op de achterkant van een oude leveringsbon, terwijl ze samen in Calais hun beurt afwachtten aan de laadkades. Hij hoopt om zeven uur in Breda te zijn, acht uur als het zou tegenvallen bij de douane. In het distributiecentrum wordt de klok rond gewerkt, heeft de collega hem verteld. Met wat geluk wordt zijn vracht meteen gelost.

 

Hoewel: hij vervoert geen bederfbare producten. Het zal ervan afhangen, quoi. Over warm avondeten hoeft hij zich geen zorgen te maken. In het midden van het industrieterrein waar hij wordt verwacht, is een restaurant met stopplaats gelegen, alleen voor truckers. Zijn collega heeft hem verzekerd dat de maaltijden er eetbaar zijn, ook naar Franse normen.

 

 

Zwarte rook

 


De chauffeur heeft net de Kennedytunnel achter de rug als hij in zijn spiegel flarden zwarte rook opmerkt, rook die uit het chassis van zijn oplegger lijkt op te stijgen. Nog in zijn spiegel ziet hij lichtsignalen van andere vrachtwagens. Een personenwagen rijdt hem luid toeterend voorbij, de chauffeur gesticuleert heftig vanuit zijn open raampje (en wijkt daarbij gevaarlijk af van zijn rijvak). Inmiddels voelt de chauffeur aan het slingeren van zijn truck dat er iets niet in de haak is. Hij zet zijn dubbele knipperlichten aan en rijdt voorzichtig remmend de pechstrook op, net voor de afrit naar Borgerhout.

 

Met de brandblusser in de hand springt hij uit zijn cabine. Een minuut later krabt hij zich in de haren als hij de schade overziet: een klapband, links onder de achteras. De rook was afkomstig van de in het rond vliegende stukken verschroeid rubber. Dit kan hij onmogelijk alleen repareren. Een collega heeft zijn vrachtwagen eveneens de pechstrook opgestuurd en geparkeerd, vlak achter de zijne. De hulpvaardige collega is een Hollander. Hij fluit bedenkelijk tussen zijn tanden terwijl hij op zijn hurken aan het gebogen ijzer van het achterwiel rukt. Hij veegt zijn handen af aan zijn vettige jeans.

 


‘Dat ziet er niet zo best uit vriend.’
De Franse chauffeur knikt instemmend. Soms is lichaamstaal voldoende om elkaar te begrijpen.
‘Ik zal hulp roepen, oké?”
En de Hollander wijst naar de lange antenne op het dak van zijn cabine, die zachtjes heen en weer wiegt in de wind, en naar het bordje met zijn oproepcode voor de Citizens Band : QR16Dumbo. Het is 1979, mobiele telefonie bestaat nog niet.

 

De informatiesnelweg is nog niet aangelegd

 


De Fransman vindt het allemaal goed. Hij zal vanavond wel met zijn baas bellen om de oorzaak voor de vertraging uit te leggen ( het is goed om te herhalen dat het 1979 is en dat de informatiesnelweg nog niet is aangelegd). Uit een metalen kist die aan de onderkant van zijn vrachtwagen is bevestigd, diept hij stevige werkhandschoenen en een professionele krik op, voordelig gekocht bij een takelaar. In afwachting van hulp kan hij al proberen om het kapotte wiel van de as te halen. Hij denkt dat de krik het gewicht van de lading wel aankan. Aan het tweelingwiel onder de linkerachteras mankeert niets. Hij steekt zijn duim op naar de vriendelijke Hollander, die hij in de cabine van zijn Scania Vabis met een microfoon in de weer ziet. Hij rijdt zelf met een Renault. Absoluut geen slechte truck, vindt de Fransman, hij heeft er nog maar weinig slechte ervaringen mee gehad. Maar vergeleken met een Scania….Tja.
Hij schuift de krik onder de achteras en pompt de achterkant van de vrachtwagen een beetje omhoog, om het gewicht op het andere wiel te verlichten. Dan haalt hij uit dezelfde kist een reuzenwielsleutel te voorschijn.

 

De spits is op zijn hoogtepunt

 


Het is inmiddels half zes geworden. De spits is op zijn hoogtepunt. Het hoogtepunt van 1979 wel te verstaan. Het verkeer rolt niet al te snel over drie rijstroken naar het noorden. De auto’s en trucks schuiven gewillig een metertje of meer naar links op als ze de twee vrachtwagens op de pechstrook passeren. Het veroorzaakt niet meer dan een rimpel in de verkeersstroom. In de richting van de Scheldetunnel staat er wel een file. Er wordt gewerkt aan de signalisatie op het punt waar het verkeer uit de stad de ringweg oprijdt, richting Gent.

 


De Franse chauffeur zit op zijn knieën bij de achterwielen van zijn Renault.  De moerbouten van het kapotte wiel laten zich redelijk gemakkelijk losdraaien. Hij legt de gietijzeren bouten netjes naast het voorwiel. Maar ook al zijn alle bouten nu verwijderd, nog krijgt hij het kapotte wiel niet van de as. Hij zet zich op zijn hurken, pakt het wiel met beide handen beet en zet afwisselend links en rechts kracht op zijn trekbeweging.
‘Wacht even, ik kom een handje helpen’, roept de Hollander vanuit zijn cabine. Hij heeft via zijn maats op de CB een garagist  uit het havengebied kunnen verwittigen, die gespecialiseerd is in het depanneren van trucks. Hij drinkt nog even een slok uit zijn thermoskan met thee.
‘D’accord!’, roept de Franse chauffeur terug en hij geeft nog een laatste ruk aan het weerbarstige wiel. Dat op datzelfde moment loslaat.

 

Alsof hij over een dode hond rijdt

 


Daar had de Fransman niet meer op gerekend. Hij verliest zijn evenwicht, valt ruggelings achterover en komt op de rechterrijstrook van de ring terecht. Hij glijdt zelfs nog even door op een olievlek. Een fractie van een seconde later wordt zijn hoofd verpletterd onder het voorwiel van een passerende truck, een Engelse vrachtwagen uit Holyhead, aan de Ierse zee. De chauffeur voelt een licht schok en dan nog een. Alsof hij over een dode hond rijdt. Hij heeft niet gezien hoe zijn Franse collega achterover viel. Hij zit te hoog. Pas in zijn een achteruitkijkspiegel ziet hij een lichaam op de ringweg liggen, net op het moment dat een personenwagen – waarvan de chauffeur te verrast is om uit te kunnen wijken – overheen het lichaam van de trucker rijdt, en daarmee zijn bekken breekt, alsof dat nog van belang zou zijn. De Engelsman uit Holyhead veroorzaakt bijna een kettingbotsing wanneer hij vol op zijn rem gaat staan, een dubbel spoor van verbrand rubber en asfalt trekt en zijn vrachtwagen (een Volvo tussen haakjes) half op de rijweg, half op de pechstrook tot stilstand laat komen. Achter hem stijgt een kakofonie van piepende remmen en loeiende claxons op.

 

Dat een mens gestorven is

 


De Hollander die net de dop op zijn thermoskan draaide is de bevoorrechte getuige van het drama. Hij ziet de Fransman achterover vallen, ziet hoe een truck over zijn hoofd heen rijdt, ziet dan het witte platte hoofd in een plas smurrie en bloed. Even zit hij als verlamd achter het stuur. Dan roept hij een alarmkreet in de microfoon van zijn CB-bakje, springt uit de cabine op het asfalt, verzwikt daarbij zijn enkel en loopt mankend naar het aanstormende verkeer toe, altijd iets meer de rijweg op, maakt met gespreide armen duidelijk dat er moet vertraagd worden, dat er moet gestopt worden. Dat een mens gestorven is.

 

De file die daarop ontstaat is ook naar de normen van 1979 aanzienlijk te noemen. Het tragische ongeval haalt de voorpagina’s van de Gazet van Antwerpen en van De Nieuwe Gazet, die beide een wazige foto afdrukken waarop enkel de ringweg met zekerheid te herkennen valt, en met enige goede wil ook de Renault en de Scania Vabis op de pechstrook. Maar het beeld van dat hoofd, bleek en plat en vormeloos als brooddeeg dat zo in de oven kan, en van de trucker die hinkend de rechterrijstrook oploopt om het verkeer tot uitwijken en vertragen te bewegen, dàt beeld staat ook na vijfentwintig jaar haarscherp gebrand op het netvlies van de automobilisten die op de bewuste donderdag in mei van hun werk naar huis reden. Dan is een mens niet voor niets gestorven, of wat denkt u?


copyright Louis van Dievel

zaterdag 19 april 2008

Verhaal: 'Een koerier van 59'

 

(Toen ik vorig jaar besliste om een familiegeschiedenis te schrijven, was ik eigenlijk bezig met een heel ander project: een roman met als werktitel 'Voor ik Doodga". De roman begint met een proloog, en die proloog bevat drie waar gebeurde verhalen waarin de dood een markante rol speelt. Het eerste  van die drie zet ik nu op het net. Veel leesplezier.)


I.

De man is negenenvijftig. Hij werkt voor een koerierbedrijf in Brussel. Kies maar uit, in het telefoonboek staan er wel dertig verschillende vermeld. Koerier. Het is geen beroep dat iemand uit roeping beoefent. Dat laat zich althans vermoeden. Het is een vak voor jonge mannen en vrouwen die niet opzien tegen lange werkdagen, een leven in de auto, uitlaatgassen, junkfood, die bestand zijn tegen de stress van de deadline. Het is de geknipte baan voor pas afgestudeerde Masters kunstgeschiedenis of Oosterse talen die in hun Kangoo door het spitsverkeer slalommen zonder veel acht te slaan op de verkeersregels. Die nonchalante, wat verveelde wegwerpgebaren maken naar het claxonprotest dat opstijgt bij ieder bruusk manoeuvre.

 

De klant is altijd ongedurig

 

Wat kan het hen ook schelen. De klant wacht. De klant is ongedurig, is nooit anders dan ongedurig. De klant is koning. Een gehaalde deadline is een persoonlijke overwinning. Iets wat voldoening schenkt. En als de jonge koeriers slagen voor hun toegangsexamen in het verkeer van de hoofdstad, mogen ze volgende maand misschien pakjes bezorgen in Parijs of Zürich of zelfs Milaan. In een snelle Vito over het linker rijvak van de autoweg razen, met de koplampen als aanvalswapen. Zalig. De vrijheid die men heeft, mevrouw, mijnheer. En het verdient goed. En het is maar tijdelijk. Koerier is men in afwachting van. Voor wie jong is tenminste.

 

Een vak voor vijftigplussers



Maar koerier is ook een vak voor vijftigplussers. Voor zelfstandigen die hun zaak hebben moeten sluiten, op de fles zijn gegaan, ziek zijn geworden. Voor arbeiders van gefailleerde bedrijven, van bedrijven in herstructurering, van gedelocaliseerde bedrijven. Voor bedienden die hun zeker geachte baan bij die gerenommeerde onderneming toch verloren hebben én helaas ook nog studerende kinderen op kamers hebben. Voor gescheiden, gedumpte vrouwen zonder opleiding. Voor pechvogels op jaren in het algemeen en in het bijzonder. Ze zijn koerier geworden omdat ze geen andere keuze hebben. Ze willen niet de hele dag in de auto zitten, hun lichaam is er niet meer tegen bestand. Ze krijgen kramp en peesontstekingen, een zere rug, een stijve nek. Maar ze moeten. Het is het enige werk dat ze nog kunnen krijgen.

 

Ze rijden zich vast

 

En vaak zijn ze er niet bijster goed in. Ze zijn niet goed in het inschatten van het verkeer, ze kiezen de verkeerde rijstrook, de verkeerde route, de foute binnenweg. Ze rijden zich vast. Ze weten niet hoe ze de gps moeten instellen, ze verliezen kostbare tijd met het zoeken op stadsplannen. Ze dragen een bril aan een touwtje. Ze vloeken, ze zweten. Ze haten de spits. Ze haten de andere automobilisten. Ze zien er belachelijk uit in hun koeriersuniformen en ze voelen zich ook zo. Ze schrikken als de gsm zijn wijsje piept: alweer de operator van de centrale dispatching, wie anders. Laten piepen kan niet, wordt niet getolereerd. Niet antwoorden is ontslag. Waar ben je?  De klant wacht. Het pakje is beloofd tegen vijf uur. Het is al half zes. Ben je daar nog maar? De klant is ongedurig. De klant is ontevreden. En gisteren was je ook al te laat. Ze zien de deadline niet als een uitdaging, maar als een vijand. Als dé vijand. Ze krijgen maagkrampen en hartkloppingen. En aan het eind van de werkdag gaan ze ontredderd en met barstende hoofdpijn naar huis.

 

Een karweitje voor de openbare omroep



Terug naar onze man. Hij is dus negenenvijftig, sinds vorige maand. Is er een feestje geweest? We weten het niet. Stond de verjaardag in iemands agenda? Geen idee.  De koerier moet een pakje ophalen in Vilvoorde, bij een regionaal televisiestation. Het colli moet naar de grote omroep in Brussel, naar de nieuwsdienst. Hij kan al raden wat er in de gewatteerde enveloppe zal zitten: een videotape die nog in het journaal van zeven uur moet. Hij heeft die boodschap al vaker gedaan. De tape ligt niet klaar als hij zich in Vilvoorde bij de balie aanmeldt. Dat verbaast hem niet, de tape ligt haast nooit klaar. Het is kwart over zes. Het pakje moet om kwart voor zeven uiterlijk aan de Reyerslaan in Brussel zijn.

 

Onze koerier moet nog tien minuten wachten, wordt hem verteld. Hij belt met de dispatching, om ze te waarschuwen. De operator zegt dat hij zijn best moet doen, dat de grote omroep een grote klant is. Maar de koerier weet nu al dat het moeilijk wordt, dat hij ongelooflijk veel geluk zal moeten hebben om de deadline te halen. Hij slaat beleefd een kop koffie af. Zijn maag doet al sinds de middag pijn. Hij voelt zich misselijk en moe. Hij sterkt zich met de gedachte dat het zijn laatste klus voor deze werkdag is.  Heeft hij een vrouw die op hem wacht met het eten, komen zijn kinderen ’s zondags op bezoek, bezit hij een eigen huis, loopt hij ’s avonds een blokje om met de hond? We weten het niet.

 

Foute keuze



De tien minuten wachttijd worden er uiteindelijk achttien. Hij holt met de enveloppe naar zijn slordig geparkeerde bestelwagen. Zijn hand beeft als hij de contactsleutel omdraait. Het eerste verkeerslicht op de Luchthavenlaan staat op rood en het tweede ook. Het is twintig voor zeven. Het verkeer aan de verkeerswisselaar van Machelen is druk maar vloeiend. Wat zal hij doen? De buitenring nemen op of langs de NAVO rijden? Hij kiest voor de tweede mogelijkheid. Foute keuze. Aan het kruispunt met de Haachtse Steenweg is een ongeluk gebeurd. Niets ernstigs, maar het verkeer staat er stil. Het is twaalf voor zeven. Hij volgt een taxi die over gras van de middenberm rijdt, schraapt met de flank van zijn bestelwagen langs een verkeersbord om een fietser te ontwijken. Maar dat zijn zorgen voor later. Het is negen voor zeven.

 

Een sluipweg

 

Aan de Delhaize neemt hij de bekende sluipweg om het vermaledijde Meiserplein te ontwijken. Om een botsing te vermijden moet hij een stadsbus laten voorgaan, die aan elke halte van de Genèvestraat stopt. Het is vijf voor zeven. De operator belt andermaal als hij de Leuvense steenweg oversteekt. Hij verzekert hem ervan dat het nog maar een kwestie van minuten is nu. Hij heeft het raampje van de bestelwagen open gedraaid en steekt zijn hoofd half naar buiten. Hij is kotsmisselijk. Zijn rug is nat van het zweet. De slagboom van het omroepbedrijf gaat snel open, het is twee voor zeven. De ene lift staat op de zevende verdieping, de andere is buiten dienst. Hij rent de trappen op. Na drie tellen klopt zijn hart als gek onder zijn ribbenkast. Hij voelt een stekende pijn in zijn schouder of is het zijn bovenarm. Iemand zet een krabbel op zijn formulier, scheurt de enveloppe open en rent op zijn beurt met de tape een deur binnen.



Hij leunt hijgend tegen de muur. Zo beroerd heeft hij zich al lang niet meer gevoeld. Plots is de misselijkheid daar weer, dwingender dan daarnet. Hij probeert zijn ingewanden te kalmeren door diep in en uit te ademen. Tegelijk stapt hij met trage, onzekere passen naar het einde van de gang, naar de toiletten. De mannen-wc is bezet. Hij braakt overvloedig in de wastafel. Een stem achter de gesloten wc-deur geeft ontstemd commentaar. Hij hoort het niet. Hij wil zitten, rusten, bekomen. Zonder nadenken loopt de koerier het vrouwentoilet aan de overkant binnen. Hij klapt het wc-deksel neer, draait de deur op slot en zakt door zijn knieën. Dan is er enkel nog een alles doordringende pijn en wordt alles zwart. De koerier zakt opzij, zijn vallende lichaam wordt tegengehouden door de muur. Maar dat weet hij niet meer. Het is tien over zeven.

Blaasontsteking



Om half acht morrelt een schminkster aan de gesloten deur. Om acht uur is het de beurt aan een omroepster om geïrriteerd op de deur te roffelen en dan naar een ander toilet te hollen. Ze heeft last van een blaasontsteking. Ze klagen er later op de avond tegen elkaar over dat twee damestoiletten dichtbij de uitzendstudio toch geen luxe zouden zijn. Tot negen uur de volgende ochtend gebeurt er niets. De Turkse schoonmaakster roept haar chef erbij wanneer na herhaald kloppen nog altijd niemand reageert achter de gesloten deur. Ze heeft een loper maar ze durft hem niet te gebruiken. Eén keer heeft ze een verstrengeld paartje betrapt dat haar verwijtend aankeek en haar met aandrang verzocht de deur opnieuw in het slot te doen.

 

Dat wilde ze niet nog een keer meemaken, ze had er wekenlang van gedroomd, van die gênante situatie. Ze heeft er thuis niets over durven vertellen. De chef klopt op zijn beurt wel vijftig keer op de deur en vraagt in het Frans, het Vlaams en het Turks om alstublieft de deur open te maken. De bewaking wordt erbij geroepen. Opnieuw wordt er op de deur geklopt, met aandrang, met de waarschuwing dat de deur meteen zal worden geopend met een loper.

 

Als een lopend  vuurtje

 

Het ineengezakte lichaam van de koerier is al helemaal stijf geworden. Het nieuws van de dode man op het damestoilet gaat als een lopend vuurtje doorheen de vele gangen en verdiepingen van het omroepgebouw. Het toilet wordt door de erbij gehaalde politie verzegeld. En dan door diezelfde politie vergeten. Wie maalt er om een koerier die een hartinfarct heeft gekregen? Op den duur besluit de bevoegde dienst van de omroep het damestoilet op eigen risico te heropenen, niet zonder een grondige schoonmaakbeurt en na een likje verf op de muren.

 

Maar de schminksters, de kleedsters, de omroepsters en ja zelfs de nieuwslezeressen weigeren halsstarrig om het toilet te gebruiken zolang niet het hele interieur is vervangen. De pot, de bril en het deksel dus. En de spoelknop, ja ook de spoelknop. Er gaan dienstnota’s over en weer. Er gaat een maand overheen voor het bewuste damestoilet dusdanig is vernieuwd dat weer acceptabel is voor de vaste gebruiksters. Hoewel, wat heet acceptabel? Het damestoilet wordt nog amper gebruikt.

 

Een onderdeel van de onthaalprocedure

 

Maar het lugubere verhaal van de dode man op de vrouwen-wc wordt springlevend gehouden. Ieder nieuw personeelslid van de televisie krijgt het te horen, als was het een onderdeel van de onthaalprocedure. Geen enkele bezoeker ontsnapt eraan. Er klinkt geen deernis door in de stem van de vertellers. De mensen zijn wreed. Telkens als het verhaal wordt naverteld en onvermijdelijk wordt aangedikt, glanzen de ogen van de verteller – en na een poosje ook die van de luisteraar - van sensatiezucht. Het is al gezegd: wie maalt er om de dood van een koerier van negenenvijftig?

 
copyright Louis van Dievel