1. iemand moet de eerste zijn (deel 3)
En zo kwam 1 april 1629.
Het was een bijzonder mooie lentedag. Pier Van Dievelt was door zijn baas opgevorderd voor de houtkap in het Diedonkbos en zou niet voor het derde Angelus thuiskomen. Zijn Maria stond met een deken om haar lenden gewikkeld aan de wastobbe bij de waterput. Ze bezat maar twee jurken, een grijze verstelde voor door de week en een rode van goede stof voor feestelijke gelegenheden. Het was elf uur ’s ochtends of daaromtrent. De melkwitte borsten van Maria Ceulemans wiebelden heen en weer boven de tobbe en weerkaatsten het zonlicht dat er op viel. Ze neuriede een liefdesliedje dat ze van haar moeder had geleerd, over een ridder uiteraard, een witte ridder.
De marskramer die op weg naar de Grote Krankhoeve verdwaald was, staakte abrupt zijn gevloek toen hij de vrouwenstem hoorde. Er was dan toch bewoning in deze zanderige uithoek. Hij hees zijn korf opnieuw over zijn schouders en richtte zijn stappen in de richting van het gezang. Een hut, meer verwachtte hij niet aan te treffen. Maar misschien was er een waterput en een slok fris water voor zijn dorstige keel zou hem wel niet geweigerd worden. En wie weet, misschien, heel misschien vielen er wel zaken te doen. De marskramer was een geboren optimist die aan iedere tegenslag een positieve, filosofische wending kon geven. Het was een moeilijk beroep wat hij beoefende: rondtrekkend handelaar in stoffen. De tijden waren nog niet lang veilig. Er was amper geld in omloop. De argwaan van de landslieden tegenover vreemdelingen was doorgaans groot, en daarenboven was hij door zijn kippah, zijn ravenzwarte haren, zijn grote neus en zijn klederdracht overduidelijk herkenbaar als jood. Maar hij had magnetiserende, brandende ogen en een stralende lach en hij lachte gemakkelijk en veel.
En dat is wat Maria Ceulemans zag toen ze zich verschrikt omdraaide: zijn brandende ogen en zijn stralende lach. Ze had de marskramer niet gehoord toen hij langs achteren het erf op kwam gestapt, zo verzonken was ze in het schrobben en in het neuriën van het droevig eindigende liefdeslied. De witte ridder kon zijn hart niet aan de jonkvrouw in de toren schenken omdat hij in zijn verre thuisland al een huwelijksbelofte was aangegaan. De markramer had naar haar billen gekeken, waarvan de pronte vormen zelfs onder een vale deken goed tot hun recht kwamen, hij had naar haar ferme heupen gekeken en naar de wiebelende borsten waarvan hij – als hij goed keek – meer dan een glimp kon opvangen. Hij had zijn korf op het nog vochtige zand van het erf neergezet, had onwillekeurig de zwelling in zijn kruis betast en uiteindelijk voorzichtig zijn keel geschraapt.
Maria Ceulemans draaide zich dus verschrikt om, keek de marskramer recht in de ogen en sloeg in een reflex haar armen voor haar blote borsten. Waardoor de knoop van het deken om haar heupen losliet en aan haar voeten neerviel. Waardoor ze zich blozend tot in haar navel moest bukken om het op te rapen en zich opnieuw, zij het gedeeltelijk, te bedekken. Waardoor ze haar boezem opnieuw in al zijn schoonheid ontblootte voor de vreemdeling. Maria was volkomen in de war gebracht door de onverwachte en ongebruikelijke situatie, stotterde iets onsamenhangends, struikelde over haar eigen voeten en viel op haar achterste. Waardoor ze vrije inkijk gaf en liet op haar vrouwelijk deel. Ze was nog meer in de war toen de marskramer zijn hand uitstak om haar overeind te helpen en ze van dichtbij het uitsteeksel zag in zijn wijde zwarte broek.
De rest laat zich raden. Of toch niet helemaal. Want na de eerste keer beval de onbekende man haar om zijn lid in haar mond te nemen, iets wat ze nog nooit had gedaan maar met veel plezier ondernam. Toen merkte ze pas dat er een stuk vel ontbrak wat er bij haar Pier nog wel aanhing. Maria Ceulemans was een snelle leerlinge, en toen de marskramer haar een tweede keer had doen krijsen van genot – wat was dat lang geleden zeg! – nam ze zelf het initiatief om het merkwaardige lid nogmaals met haar mond en lippen in opwaartse stand te brengen. Het duurde wat langer nu, maar het lukte. Maar toen ze zich op haar rug rolde en haar benen opende, klaar om hem te ontvangen, draaide de man haar op haar buik, liet haar de knieën optrekken en kwam langs achteren bij haar binnen. Het enige varken dat Maria Ceulemans en Pier Van Dievelt bezaten, kwam nieuwsgierig af op de kreten van genot die de minnaars slaakten, zette zijn voorpoten op de strozak en besnuffelde de bezwete billen van de jood, net toen die zijn zaad bij haar binnenschoot, ten derde male.
Na de veelvoudige daad moest alles plots snel gaan.
‘Mijn man!’
Veel meer dan dat toverwoord had de marskramer niet nodig om zijn broek aan te schieten, zijn korf om te gorden en ijlings het erf te verlaten. Amper kreeg hij van Maria de tijd om een slok water uit de put te drinken. En hij moest het met wat vage armgebaren in de vermoedelijke richting van de Grote Krankhoeve stellen. Zozeer was de blonde vrouw gehaast om hem uit haar leven te doen verdwijnen. Maar hij was een tevreden man. Je zou voor minder.
De zon was inmiddels al voorbij haar hoogste punt. Maria Ceulemans zette zich opnieuw aan de wastobbe en terwijl ze schrobde en spoelde bleef er maar zaad uit haar deel vloeien. Ze voelde zich vreemd te moede. Bevredigd, ja zeker, maar ook wat ongerust. Want ook al was ze niet van de slimste, ze kende intussen het oorzakelijk verband tussen de geslachtsdaad en de voortplanting. Toen Pier na donker uitgeput thuiskwam en na het binnenschrokken van zijn avondeten de strozak op wilde zoeken, was dat buiten de waard – en in dit geval buiten de berekende vastberadenheid van Maria gerekend. Hoe hij ook vermoeidheid en slaap voorwendde, hoe hij ook de grijpgrage vingers van Maria van zich afsloeg, er hielp geen lievemoederen aan. Hij moest en hij zou presteren. Iets waar hij tot zijn eigen verbazing ook in slaagde. Zij trok hem over zich heen en toen hij zijn zaad had gestort, wachtte hem een tweede verrassing. Maria nam zijn inmiddels gekrompen lid in haar mond en bracht hem aldus opnieuw in staat van paraatheid.
Waar had ze dat geleerd, vroeg hij zich af, toch niet van haar moeder?
Een half uur later lag hij luid snurkend naast haar op de strozak.
Negen maanden later werd er in de Duivelshoek een jongen met pikzwarte krullende haren geboren. Pier en Maria trokken ermee naar de pastoor van Bonheiden om het kind te laten dopen. En zo werd op 1 januari van het jaar des Heren zestienhonderdendertig de geboorte van Petrus Van Dievel opgetekend in de kerkregisters. De priester keek een weinig verbaasd van de roodharige vader naar de blonde moeder en dan naar de boreling met de pikzwarte haren, die zijn keelgat wijd open zette toen het wijwater over zijn hoofdje werd gekletst en vervolgens de albe van de kerkdienaar onder piste.
De eerste officiële Van Dievel had zijn entree in de geschiedenis niet gemist.
(copyright Louis van Dievel)