woensdag 3 september 2008

Het was een plezant feest!

Beste allemaal. Het was een plezant feest, al zeg ik het zelf. Van Dievel Transport had dat allemaal piekfijn georganiseerd en het volk had er zin in.

Ik schat dat er 160 mensen aanwezig waren, van wie een ruime helft Van Dievels in de breedste zin van het woord. Er waren ook bekende koppen om naar te kijken. Dat is tenslotte ook plezant.

Rik Torfs was in vorm, de schrijver ook, en terwijl er nog gespeecht en voorgelezen werd, was er al een kleine reportage in TerZake.

Via deze websitelink kunt u naar de fotoshow van de boekpresentatie. De foto's zijn niet allemaal even scherp , maar dat kwam door de emotie.

 Op de E19, richting Brussel, ter hoogte van Peutie.

U bent nog eens allemaal bedankt voor de komst. En als u niet bent kunnen komen, dan lukt het de volgende keer wel.

A propos, ik signeer op de 27 september, de dag van de klant, in boekhandel Salvator in de Befferstraat in Mechelen.

 

Louis

 

 

woensdag 6 augustus 2008

Nog belangrijker bericht aan de lezer!

 

 

Beste lezers,

 

Het heeft wat voeten in de aarde gehad, maar sinds gisteravond ligt vast waar mijn nieuwe roman 'Een familiegeschiedenis' zal worden voorgesteld. De datum is en blijft dinsdag 2 september om 19u30.

 

Plaats van het evenement : het bedrijfsterrein van Van Dievel Transport (van de trucks met het duveltje en de drietand), gelegen in de industriezone van Mechelen Noord (F-P), Schaliënhoevedreef nummer 7, 2800 Mechelen voor de mensen met een gps.

 

Waarom we (de uitgever en ik) het zover gaan zoeken, zal die avond duidelijk worden, wanneer we de nooit eerder geziene 'crossmediale stunt' Van Dievel de schrijver- Van Dievel transport onthullen. Overigens is in de roman een hoofdstuk gewijd aan Jef Van Dievel, de stichter van het transportbedrijf.

 

 

Rik Torfs houdt nog steeds de feestrede, ikzelf zal een 'woordje placeren' en voorlezen. U wordt voorzien van een natje en een droogje en u kunt het boek daar ook kopen, wat dacht u.

 

Alle Van Dievels, aanverwanten en sympathisanten zijn welkom. Maar om het aantal celwagens te kunnen inschatten (graààààpje!), heb ik graag dat u mij een mailtje stuurt. Wat zeg ik, het moet.

 

vriendelijke groet,

 

 

Louis van Dievel

maandag 3 december 2007

Een kleine stamboom

(zoals gevraagd door een blogbezoeker, hieronder een vereenvoudigde stamboom van de familie Van Dievel)

Pier Van Dievelt (?)                            X     Maria Ceulemans (?)

Pier Van Dievelt (1630-1686)          X     Anna Roggemans (1631-1699)

Antoon Van Dievelt (1668-1748)     X     Gomarijne Van Goolen (1670-?)

Adriaan Van Dievel (1705-1775)     X     Anna Van Roosbroeck (?-1774)

Peter Van Dievel (1733-1803)         X     Elisabeth Mees (?-1774)

Adriaan Van Dievel (1760-1820)     X    Elisabeth Theresia Guldentops (1671-1827)

Michael Van Dievel (1793-1854)     X    Maria Candries (1801-1881)

Lodewijk Van Dievel (1838-1883)   X    Maria Winckelmans (1837-1874)

                                                             X    Anna Torfs (1844-1905)

                                                                                                 X   Petrus Rams   

 

Fons Van Dievel  X Mathilde Ackermans //////    Ferdinand Van Dievel X  Maria Schroons

(1878-1956)                               (1884-1988)       (1875-1926)                  (1871-1943)

 

Emiel Van Dievel  X  Maria  Stevens                      Sander Van Dievel X

                                                                                      Maria Van Winghe

Alma Van Dievel   X   Henri De Boeck                   Jeanne Van Dievel

                                                                                      Nante Van Dievel

                                                                                      Jos Van Dievel

                                                                                      Louis Van Dievel

                                                                                       

 

 

 

 

dinsdag 23 oktober 2007

Een familiegeschiedenis (3)

1. iemand moet de eerste zijn (deel 3)

 

En zo kwam 1 april 1629.
Het was een bijzonder mooie lentedag. Pier Van Dievelt was door zijn baas opgevorderd voor de houtkap in het Diedonkbos en zou niet voor het derde Angelus thuiskomen. Zijn Maria stond met een deken om haar lenden gewikkeld aan de wastobbe bij de waterput. Ze bezat maar twee jurken, een grijze verstelde voor door de week en een rode van goede stof voor feestelijke gelegenheden. Het was elf uur ’s ochtends of daaromtrent. De melkwitte borsten van Maria Ceulemans wiebelden heen en weer boven de tobbe en weerkaatsten het zonlicht dat er op viel. Ze neuriede een liefdesliedje dat ze van haar moeder had geleerd, over een ridder uiteraard, een witte ridder.

 


De marskramer die op weg naar de Grote Krankhoeve verdwaald was, staakte abrupt zijn gevloek toen hij de vrouwenstem hoorde. Er was dan toch bewoning in deze zanderige uithoek. Hij hees zijn korf opnieuw over zijn schouders en richtte zijn stappen in de richting van het gezang. Een hut, meer verwachtte hij niet aan te treffen. Maar misschien was er een waterput en een slok fris water voor zijn dorstige keel zou hem wel niet geweigerd worden. En wie weet, misschien, heel misschien vielen er wel zaken te doen. De marskramer was een geboren optimist die aan iedere tegenslag een positieve, filosofische wending kon geven. Het was een moeilijk beroep wat hij beoefende: rondtrekkend handelaar in stoffen. De tijden waren nog niet lang veilig. Er was amper geld in omloop. De argwaan van de landslieden tegenover vreemdelingen was doorgaans groot, en daarenboven was hij door zijn kippah, zijn ravenzwarte haren, zijn grote neus en zijn klederdracht overduidelijk herkenbaar als jood. Maar hij had magnetiserende, brandende ogen en een stralende lach en hij lachte gemakkelijk en veel.

 


En dat is wat Maria Ceulemans zag toen ze zich verschrikt omdraaide: zijn brandende ogen en zijn stralende lach. Ze had de marskramer niet gehoord toen hij langs achteren het erf op kwam gestapt, zo verzonken was ze in het schrobben en in het neuriën van het droevig eindigende liefdeslied. De witte ridder kon zijn hart niet aan de jonkvrouw in de toren schenken omdat hij in zijn verre thuisland al een huwelijksbelofte was aangegaan. De markramer had naar haar billen gekeken, waarvan de pronte vormen zelfs onder een vale deken goed tot hun recht kwamen, hij had naar haar ferme heupen gekeken en naar de wiebelende borsten waarvan hij – als hij goed keek – meer dan een glimp kon opvangen. Hij had zijn korf op het nog vochtige zand van het erf neergezet, had onwillekeurig de zwelling in zijn kruis betast en uiteindelijk voorzichtig zijn keel geschraapt.

 


Maria Ceulemans draaide zich dus verschrikt om, keek de marskramer recht in de ogen en sloeg in een reflex haar armen voor haar blote borsten. Waardoor de knoop van het deken om haar heupen losliet en aan haar voeten neerviel. Waardoor ze zich blozend tot in haar navel moest bukken om het op te rapen en zich opnieuw, zij het gedeeltelijk, te bedekken. Waardoor ze haar boezem opnieuw in al zijn schoonheid ontblootte voor de vreemdeling. Maria was volkomen in de war gebracht door de onverwachte en ongebruikelijke situatie, stotterde iets onsamenhangends, struikelde over haar eigen voeten en viel op haar achterste. Waardoor ze vrije inkijk gaf en liet op haar vrouwelijk deel. Ze was nog meer in de war toen de marskramer zijn hand uitstak om haar overeind te helpen en ze van dichtbij het uitsteeksel zag in zijn wijde zwarte broek.

 

De rest laat zich raden. Of toch niet helemaal. Want na de eerste keer beval de onbekende man haar om zijn lid in haar mond te nemen, iets wat ze nog nooit had gedaan maar met veel plezier ondernam. Toen merkte ze pas dat er een stuk vel ontbrak wat er bij haar Pier nog wel aanhing. Maria Ceulemans was een snelle leerlinge, en toen de marskramer haar een tweede keer had doen krijsen van genot – wat was dat lang geleden zeg! – nam ze zelf het initiatief om het merkwaardige lid nogmaals met haar mond en lippen in opwaartse stand te brengen. Het duurde wat langer nu, maar het lukte. Maar toen ze zich op haar rug rolde en haar benen opende, klaar om hem te ontvangen, draaide de man haar op haar buik, liet haar de knieën optrekken en kwam langs achteren bij haar binnen. Het enige varken dat Maria Ceulemans en Pier Van Dievelt bezaten, kwam nieuwsgierig af op de kreten van genot die de minnaars slaakten, zette zijn voorpoten op de strozak en besnuffelde de bezwete billen van de jood, net toen die zijn zaad bij haar binnenschoot, ten derde male.


Na de veelvoudige daad moest alles plots snel gaan.
‘Mijn man!’
Veel meer dan dat toverwoord had de marskramer niet nodig om zijn broek aan te schieten, zijn korf om te gorden en ijlings het erf te verlaten. Amper kreeg hij van Maria de tijd om een slok water uit de put te drinken. En hij moest het met wat vage armgebaren in de vermoedelijke richting van de Grote Krankhoeve stellen. Zozeer was de blonde vrouw gehaast om hem uit haar leven te doen verdwijnen. Maar hij was een tevreden man. Je zou voor minder.

 

De zon was inmiddels al voorbij haar hoogste punt. Maria Ceulemans zette zich opnieuw aan de wastobbe en terwijl ze schrobde en spoelde  bleef er maar zaad uit haar deel vloeien. Ze voelde zich vreemd te moede. Bevredigd, ja zeker, maar ook wat ongerust. Want ook al was ze niet van de slimste, ze kende intussen het oorzakelijk verband tussen de geslachtsdaad en de voortplanting. Toen Pier na donker uitgeput  thuiskwam en na het binnenschrokken van zijn avondeten de strozak op wilde zoeken, was dat buiten de waard – en in dit geval buiten de berekende vastberadenheid van Maria gerekend. Hoe hij ook vermoeidheid en slaap voorwendde, hoe hij ook de grijpgrage vingers van Maria van zich afsloeg, er hielp geen lievemoederen aan. Hij moest en hij zou presteren. Iets waar hij tot zijn eigen verbazing ook in slaagde. Zij trok hem over zich heen en toen hij zijn zaad had gestort, wachtte hem een tweede verrassing. Maria nam zijn inmiddels gekrompen lid in haar mond en bracht hem aldus opnieuw in staat van paraatheid.
Waar had ze dat geleerd, vroeg hij zich af, toch niet van haar moeder?
Een half uur later lag hij luid snurkend naast haar op de strozak.

 


Negen maanden later werd er in de Duivelshoek een jongen met pikzwarte krullende haren geboren. Pier en Maria trokken ermee naar de pastoor van Bonheiden om het kind te laten dopen. En zo werd op 1 januari van het jaar des Heren zestienhonderdendertig de geboorte van Petrus Van Dievel opgetekend in de kerkregisters. De priester keek een weinig verbaasd van de roodharige vader naar de blonde moeder en dan naar de boreling met de pikzwarte haren, die zijn keelgat wijd open zette toen het wijwater over zijn hoofdje werd gekletst en vervolgens de albe van de kerkdienaar onder piste.
De eerste officiële Van Dievel had zijn entree in de geschiedenis niet gemist.

 (copyright Louis van Dievel)

maandag 22 oktober 2007

Een familiegeschiedenis (2)

1. iemand moet de eerste zijn (deel 2)

 

 Het duurt lang voor een dorp of een gehucht zich herstelt van een oorlog. Aan de Duivelshoek in Bonheiden en in de gehuchten daar rond duurde het meer dan vijftig jaar vooraleer er vrede was. Tot de volgende oorlog eraan kwam. Maar laten we niet op de zaken vooruit lopen. Men mag nooit een nieuwe oorlog aankondigen voor bij de mensen de hoop leeft dat de vorige de laatste is geweest. En daarbij: de doden moeten begraven worden, de kadavers van het vee opgeruimd. De familie moet opnieuw bij elkaar worden gezocht. Wie heeft het overleefd en hoe, en wie is teruggevonden en waar, en wie blijft er vermist of wie kan maar beter dood zijn? En als we weer samen zijn, waar gaan we dan wonen? Staat de hoeve er nog? Woont er iemand anders in? Is er hout en leem of misschien steen om wat verwoest is herop te bouwen?


Dat soort zaken vraagt tijd. Het moet rustig worden in de hoofden. Er moeten
spoken verjaagd worden, gapende wonden in de hartstreek moeten kunnen dichtgroeien. De mensen moeten opnieuw zonder angst voor de volgende ochtend kunnen gaan slapen. Er moet hoop zijn. En kapitaal voor een nieuwe start.

 

Petrus of Pier Van Dievelt had van toen hij twaalf was als knecht op de Grote Krankhoeve in het gehucht Peulis gewerkt. Hij werd Van Dievelt genoemd omdat hij daar vandaan kwam en omdat er nog een Pier op de hoeve werkte, Pier Van Dessel, over wie we verder zullen zwijgen. Hoewel de Grote Krankhoeve min of meer in het oorlogsgebied had gelegen, was ze van verwoesting gespaard gebleven. Een wonder dat de eigenaars van de hoeve, de Begijnen van Mechelen, toeschreven aan onverdroten gebed en versterving. Wel was de pachter met zijn hele gezin en met meiden en knechten op de vlucht geslagen, net als die van de Kleine Krankhoef, en waren beide hofsteden geplunderd. Het tegendeel zou verbaasd hebben. Meer dan tien jaar was er op de Grote Krankhoef gezaaid noch geoogst. Maar inmiddels was het grootste leed geleden en werd er opnieuw pacht betaald.

 


 Toen hij twintig was, leerde Pier Van Dievelt op de kermis van Sint-Niklaas-Putte  de zeventienjarige Maria Ceulemans kennen. Maria Ceulemans was de jongste van de zeven kinderen van Jacobus en Magdalena Ceulemans, keuterboeren op de baan naar Berlaar. Ze was niet van de slimste, laten we dat maar eerlijk toegeven. Maar ze was altijd goed gemutst, ze kon mooi zingen  en bovendien was Maria goed voorzien van oren en poten. Om een lang verhaal kort te maken: het was van de eerste keer prijs en negen maanden later beviel ze aan de Berlaarbaan van een voorkind dat geen naam kreeg en weggegeven werd aan de nonnen van het weeshuis in Duffel. De vader van het kind liet zich niet zien. Tot hij op een dag tegen vader Ceulemans aanliep op de markt van Onze-Lieve-Vrouw Waver en met een blauw oog en een gekloven lip naar de Krankhoeve terugkeerde. Waarmee de kwestie onder mannen was geregeld.

 

Het duurde niet lang voor Maria en Pier elkaar opnieuw begonnen te zien. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Al was Maria Ceulemans zo wijs om haar knieën deze keer stijf tegen elkaar te houden. Ze wilde een belofte, een engagement, iets om naar uit te kijken. Ze maakte Pier Van Dievelt knettergek van lust met haar lijf en haar handen die de zijne wegsloegen en ze wist het. Maar Pier wilde ook wel  vooruit in het leven en hij ging aankloppen bij zijn baas Matheus Vercammen, de pachter van de Grote Krankhoeve. Hij vroeg om een lening van drie carolusguldens om een koe en een varken te kopen en zaaigoed en gerief om een eigen hut te bouwen op het verlaten Dievelsveld, aan de Duivelshoek, waar zijn familie had gewoond tot ze door de oorlog uiteengeslagen was. De lepe Vercammen wilde zijn knecht slechts twee guldens voorschieten  en dan nog in ruil voor de belofte om gratis en voor niets op de Krankhoeve te komen werken, telkens de pachter dat nodig achtte.

 

Pier kon nog minder rekenen dan hij kon lezen of schrijven, en ook hij had het warme water niet uitgevonden. Het gevolg laat zich raden:  de voormalige knecht werkte harder dan de echte knechten, maar verminderen deed zijn schuld niet, in tegendeel zelfs, zo leek het soms.  Als hij om uitleg durfde te vragen  aan Matheus Vercammen, rekende die op zijn vingers voor dat Pier zich al helemaal niets te beklagen had.  Maar Pier Van Dievelt kon zich de trotse bezitter van een eigen hut noemen en voor Maria was dat voldoende om het ouderlijke huis aan de Berlaarbaan vaarwel te zeggen en bij hem in te trekken. Wat ze van thuis meekreeg kon ze op moeiteloos op haar rug dragen. Het viel allemaal wat tegen, ervoer ze. Van wittebroodsweken had in de Duivelshoek nog nooit iemand horen spreken: als het werk voor de pachter en het labeur op zijn eigen lap grond klaar was voor die dag, viel haar Pier doorgaans als een blok in slaap op de nieuwe strozak. De bijslaap werd maar zelden beoefend in dat eerste jaar van hun feitelijke verbintenis, zeer tot ongenoegen van Maria trouwens, die altijd zin had en er nooit genoeg van kreeg.

 

 (copyright Louis van Dievel)

vrijdag 19 oktober 2007

Een familiegeschiedenis (1)

1. iemand moet de eerste zijn

Deze negorij wordt dus het Dieveld genoemd. Vroeger, voor de oorlog, toen er nog geen mensen woonden op dat afgelegen stuk heidegrond, sprak men van de Duivelshoek.  En met reden. Want het waren geen verzinsels dat onvoorzichtige passanten daar door de duivel bij hun benen werden vastgegrepen en in de diepte werden getrokken. Bij klaarlichte dag! Dat van die mensen hooguit een muts of een mantel werd teruggevonden. Dat er dan weken later nog schroeiplekken zichtbaar waren in het mos. Dat de hel daar niet diep stak, in de Duivelshoek. Dat er solfer uit gaten in de grond opsteeg. Dat de bliksem er als een vuurbol over het witte zand stuiterde als het onweerde en dat de duivels dan als derwisjen in de gietende regen dansten zonder nat te worden. Dat de pastoor zich niet in die uithoek waagde, zelfs niet gewapend met een volle emmer wijwater en een manshoog kruisbeeld.

 Maar ook de duivel trok zich diep in zijn hel terug toen de Staatsen en de Spanjaarden in deze streek hun besognes kwamen uitvechten. De huurlingen van Juan van Oostenrijk hadden het kampement van hun voorwacht  in de Duivelshoek opgeslagen: een verzameling Spanjaarden, Duitsers en Oostenrijkers onder leiding van ene Octavio Gonzago. Ze waren met zo’n zeshonderd ruiters en evenveel voetvolk vooruit gestuurd om rap rap de stad Mechelen in te nemen, die in handen was van de Staatsen uit Holland. Maar Mechelen bleek veel te goed verdedigd. Foutje van de verspieders. Gonzago besloot om in het naburige Bonheiden versterking af te wachten. In een oorlog is uitstel nooit afstel, dat is een hele geruststelling. De manschappen wilden zich , voor de onvermijdelijke slag met de Staatsen eraan kwam, nog eens goed amuseren in het godvergeten gat waar ze hun tijd moesten verdoen met wachten. Drie weken lang richtten ze in de Duivelshoek een huiveringwekkende orgie van dronken geweld aan. Ze voerden razzia’s uit naar hutten en hofsteden in de omtrek, brandden de woonsten en de gewassen af, stalen het vee en de kippen, en voerden de bewoners die niet gevlucht waren ter vermaak mee naar hun stinkende tenten. De mannen werden aan hun voeten opgehangen of hun uitsteeksels werden er een voor een afgesneden of ze werden levend geroosterd. De vrouwen die te veel tegenspartelden terwijl ze verkracht werden… Och, wat zit ik hier te vertellen, iedereen weet toch hoe het er in een oorlog aan toegaat.

En toen brak de dag van de veldslag aan, niet aan de poorten van Mechelen, maar op een plaats die de lepe Staatsen hadden uitgekozen, aan de Dijle tussen Rijmenam en Bonheiden op een plek die Mispeldonk werd genoemd . Het was hoogzomer, de 1ste augustus van het jaar 1578. In de dagen ervoor was van twee kanten -  van uit Leuven en van uit Mechelen - de hoofdmacht van de legers gearriveerd. Mensen toch. Zoveel voetvolk en ruiters hadden ze daar in de streek nog nooit bij elkaar gezien. Meer dan vijftienduizend manschappen aan iedere zijde, kunt u zich dat voorstellen? Hoeveel stof zo’n leger opwerpt, hoe de aarde dreunt onder zoveel voetstappen?  Het helse kabaal van de marcherende troepen leek wel van overal te komen. Vluchten met have en goed bleek al gauw onmogelijk. De bewoners van Mispeldonk  verscholen zich in de bossen of verschansten zich in de pastorie van Bonheiden en baden dat de strijd snel voorbij zou gaan. Alleen de dapperen of beter de roekelozen die het spektakel niet wilden missen - want zotten zijn er altijd – waagden zich buiten om zich aan de legers te vergapen. Zij het van op veilige afstand. Zij het met knikkende knieën.  Oorlog fascineert, vertel ons iets nieuws. Maar wie was de Spagnool en wie de Hollander? Dat was het spel dat vanuit het struikgewas werd gespeeld. De beide legers leken als twee druppels water op elkaar: dezelfde wapenuitrusting, dezelfde nerveuze, met ijzer getooide paarden, dezelfde moordlust, dezelfde angst in de ogen van de soldeniers. Alleen de banieren waren verschillend van kleur, voor wie daar iets van af wist. Een uur na zonsopgang stormden duizenden soldaten onder duivels geschreeuw op elkaar af, beukten ze op elkaar in, omknelden ze elkaar in een dodelijke omhelzing. In plassen van bloed en pis en stront molenwiekten ze, wankelden ze, vielen ze en werden ze vertrappeld. In de veilige achterhoede gaf Juan Van Oostenrijk zijn bevelen aan Octavio Gonzago die ze doorschreeuwde naar de officieren die hun vaandrigs uitstuurden die zich schor brulden tegen de verdoofde en verblinde manschappen. De strateeg aan Staatse kant moet een betere dag gehad hebben dan zijn Spaanse evenknie: lang voor het vallen van de duisternis liet een slechtgehumeurde Juan van Oostenrijk de terugtocht blazen en sloegen de Spaanse huurlingen ordeloos op de vlucht, in de richting van Leuven, waar ze vandaan waren gekomen.

De veldslag duurde maar één dag, de naweeën waren honderd keer langer en gruwelijker dan het voorspel in het Spaanse kamp aan de Duivelshoek was geweest. Maandenlang, bijna tot de zomer van het jaar daarop, terroriseerden groepjes mistevreden want verslagen en slecht betaalde Spanjaarden de streek. En in het zog van de huurlingen schuimden gewapende deserteurs uit alle uithoeken van Europa  het platteland rond Mechelen af. Hoeves werden geplunderd, de boeren vermoord. Het gewone verhaal, quoi. De velden werden niet bewerkt, er was geen oogst, er kwam hongersnood. En ook wanneer er echt niets meer te stropen of te plunderen viel, dan nog installeerden gewapende bendes zich met een grijns van oor tot oor op een willekeurig erf, eisten eten en drank, voer voor hun paarden, en de boerin en de dochters op voor zichzelf.

En ook na 1779 passeerden er met de regelmaat van de klok kleine en grote legers in Bonheiden, op weg naar of op de terugweg van een klein of een groot bloedvergieten. En allemaal lieten ze zich bedienen door het uitgehongerde volk.

 

(copyright Louis van Dievel)