Verhaal: 'De Antwerpse ring in 1979'
(Dames en heren, de familieroman nadert zijn voltooiïng. Eind mei zou het manuscript naar de uitgever moeten gaan. Ik moet bekennen dat ik me nog nooit zo onzeker heb gevoeld als over dit project en dat er zelfs faalangst onder mijn stoere bast is geslopen. Ik zou willen dat het al zes maanden later was. Maar genoeg ontboezemingen! Toen ik vorig jaar besliste om een familiegeschiedenis te schrijven, was ik eigenlijk bezig met een heel ander project: een roman met als werktitel 'Voor ik Doodga". De roman begint met een proloog, en die proloog bevat drie waar gebeurde verhalen waarin de dood een markante rol speelt. Het tweede van die drie zet ik nu op het net. Veel leesplezier.)
II.
De vrachtwagenchauffeur is een man van middelbare leeftijd, geen nadere specificaties. Of toch: zijn naam. De chauffeur heet Jacques en zijn vrouw (of lief of hond of kat of paard, dat valt niet met zekerheid te stellen) heet Milou. Zo staan de beide namen vermeld op de bordjes die links en rechts de voorruit van zo menige truckerscabine plegen te sieren. En hij komt uit Frankrijk. De nummerplaat van zijn oplegger eindigt op het cijfer 56, dat moet ergens in de Elzas zijn. Het jaar is 1979, de plaats is de Antwerpse ring. Het is een donderdag in mei, kwart over vijf, spitsuur. Er rijden maar half zoveel auto’s als nu, de ring is twee rijstroken smaller.
Orange Marmelade
De chauffeur is een vracht gaan ophalen in de haven van Calais: veertig pallets beladen met potjes Engelse confituur: Orange Marmelade van MacKay.
De vracht moet naar een distributiecentrum in de buurt van Breda. De chauffeur is er nog niet eerder geweest. In de borstzak van zijn groene werkpak zit een ruwe schets die een collega-trucker voor hem heeft getekend op de achterkant van een oude leveringsbon, terwijl ze samen in Calais hun beurt afwachtten aan de laadkades. Hij hoopt om zeven uur in Breda te zijn, acht uur als het zou tegenvallen bij de douane. In het distributiecentrum wordt de klok rond gewerkt, heeft de collega hem verteld. Met wat geluk wordt zijn vracht meteen gelost.
Hoewel: hij vervoert geen bederfbare producten. Het zal ervan afhangen, quoi. Over warm avondeten hoeft hij zich geen zorgen te maken. In het midden van het industrieterrein waar hij wordt verwacht, is een restaurant met stopplaats gelegen, alleen voor truckers. Zijn collega heeft hem verzekerd dat de maaltijden er eetbaar zijn, ook naar Franse normen.
Zwarte rook
De chauffeur heeft net de Kennedytunnel achter de rug als hij in zijn spiegel flarden zwarte rook opmerkt, rook die uit het chassis van zijn oplegger lijkt op te stijgen. Nog in zijn spiegel ziet hij lichtsignalen van andere vrachtwagens. Een personenwagen rijdt hem luid toeterend voorbij, de chauffeur gesticuleert heftig vanuit zijn open raampje (en wijkt daarbij gevaarlijk af van zijn rijvak). Inmiddels voelt de chauffeur aan het slingeren van zijn truck dat er iets niet in de haak is. Hij zet zijn dubbele knipperlichten aan en rijdt voorzichtig remmend de pechstrook op, net voor de afrit naar Borgerhout.
Met de brandblusser in de hand springt hij uit zijn cabine. Een minuut later krabt hij zich in de haren als hij de schade overziet: een klapband, links onder de achteras. De rook was afkomstig van de in het rond vliegende stukken verschroeid rubber. Dit kan hij onmogelijk alleen repareren. Een collega heeft zijn vrachtwagen eveneens de pechstrook opgestuurd en geparkeerd, vlak achter de zijne. De hulpvaardige collega is een Hollander. Hij fluit bedenkelijk tussen zijn tanden terwijl hij op zijn hurken aan het gebogen ijzer van het achterwiel rukt. Hij veegt zijn handen af aan zijn vettige jeans.
‘Dat ziet er niet zo best uit vriend.’
De Franse chauffeur knikt instemmend. Soms is lichaamstaal voldoende om elkaar te begrijpen.
‘Ik zal hulp roepen, oké?”
En de Hollander wijst naar de lange antenne op het dak van zijn cabine, die zachtjes heen en weer wiegt in de wind, en naar het bordje met zijn oproepcode voor de Citizens Band : QR16Dumbo. Het is 1979, mobiele telefonie bestaat nog niet.
De informatiesnelweg is nog niet aangelegd
De Fransman vindt het allemaal goed. Hij zal vanavond wel met zijn baas bellen om de oorzaak voor de vertraging uit te leggen ( het is goed om te herhalen dat het 1979 is en dat de informatiesnelweg nog niet is aangelegd). Uit een metalen kist die aan de onderkant van zijn vrachtwagen is bevestigd, diept hij stevige werkhandschoenen en een professionele krik op, voordelig gekocht bij een takelaar. In afwachting van hulp kan hij al proberen om het kapotte wiel van de as te halen. Hij denkt dat de krik het gewicht van de lading wel aankan. Aan het tweelingwiel onder de linkerachteras mankeert niets. Hij steekt zijn duim op naar de vriendelijke Hollander, die hij in de cabine van zijn Scania Vabis met een microfoon in de weer ziet. Hij rijdt zelf met een Renault. Absoluut geen slechte truck, vindt de Fransman, hij heeft er nog maar weinig slechte ervaringen mee gehad. Maar vergeleken met een Scania….Tja.
Hij schuift de krik onder de achteras en pompt de achterkant van de vrachtwagen een beetje omhoog, om het gewicht op het andere wiel te verlichten. Dan haalt hij uit dezelfde kist een reuzenwielsleutel te voorschijn.
De spits is op zijn hoogtepunt
Het is inmiddels half zes geworden. De spits is op zijn hoogtepunt. Het hoogtepunt van 1979 wel te verstaan. Het verkeer rolt niet al te snel over drie rijstroken naar het noorden. De auto’s en trucks schuiven gewillig een metertje of meer naar links op als ze de twee vrachtwagens op de pechstrook passeren. Het veroorzaakt niet meer dan een rimpel in de verkeersstroom. In de richting van de Scheldetunnel staat er wel een file. Er wordt gewerkt aan de signalisatie op het punt waar het verkeer uit de stad de ringweg oprijdt, richting Gent.
De Franse chauffeur zit op zijn knieën bij de achterwielen van zijn Renault. De moerbouten van het kapotte wiel laten zich redelijk gemakkelijk losdraaien. Hij legt de gietijzeren bouten netjes naast het voorwiel. Maar ook al zijn alle bouten nu verwijderd, nog krijgt hij het kapotte wiel niet van de as. Hij zet zich op zijn hurken, pakt het wiel met beide handen beet en zet afwisselend links en rechts kracht op zijn trekbeweging.
‘Wacht even, ik kom een handje helpen’, roept de Hollander vanuit zijn cabine. Hij heeft via zijn maats op de CB een garagist uit het havengebied kunnen verwittigen, die gespecialiseerd is in het depanneren van trucks. Hij drinkt nog even een slok uit zijn thermoskan met thee.
‘D’accord!’, roept de Franse chauffeur terug en hij geeft nog een laatste ruk aan het weerbarstige wiel. Dat op datzelfde moment loslaat.
Alsof hij over een dode hond rijdt
Daar had de Fransman niet meer op gerekend. Hij verliest zijn evenwicht, valt ruggelings achterover en komt op de rechterrijstrook van de ring terecht. Hij glijdt zelfs nog even door op een olievlek. Een fractie van een seconde later wordt zijn hoofd verpletterd onder het voorwiel van een passerende truck, een Engelse vrachtwagen uit Holyhead, aan de Ierse zee. De chauffeur voelt een licht schok en dan nog een. Alsof hij over een dode hond rijdt. Hij heeft niet gezien hoe zijn Franse collega achterover viel. Hij zit te hoog. Pas in zijn een achteruitkijkspiegel ziet hij een lichaam op de ringweg liggen, net op het moment dat een personenwagen – waarvan de chauffeur te verrast is om uit te kunnen wijken – overheen het lichaam van de trucker rijdt, en daarmee zijn bekken breekt, alsof dat nog van belang zou zijn. De Engelsman uit Holyhead veroorzaakt bijna een kettingbotsing wanneer hij vol op zijn rem gaat staan, een dubbel spoor van verbrand rubber en asfalt trekt en zijn vrachtwagen (een Volvo tussen haakjes) half op de rijweg, half op de pechstrook tot stilstand laat komen. Achter hem stijgt een kakofonie van piepende remmen en loeiende claxons op.
Dat een mens gestorven is
De Hollander die net de dop op zijn thermoskan draaide is de bevoorrechte getuige van het drama. Hij ziet de Fransman achterover vallen, ziet hoe een truck over zijn hoofd heen rijdt, ziet dan het witte platte hoofd in een plas smurrie en bloed. Even zit hij als verlamd achter het stuur. Dan roept hij een alarmkreet in de microfoon van zijn CB-bakje, springt uit de cabine op het asfalt, verzwikt daarbij zijn enkel en loopt mankend naar het aanstormende verkeer toe, altijd iets meer de rijweg op, maakt met gespreide armen duidelijk dat er moet vertraagd worden, dat er moet gestopt worden. Dat een mens gestorven is.
De file die daarop ontstaat is ook naar de normen van 1979 aanzienlijk te noemen. Het tragische ongeval haalt de voorpagina’s van de Gazet van Antwerpen en van De Nieuwe Gazet, die beide een wazige foto afdrukken waarop enkel de ringweg met zekerheid te herkennen valt, en met enige goede wil ook de Renault en de Scania Vabis op de pechstrook. Maar het beeld van dat hoofd, bleek en plat en vormeloos als brooddeeg dat zo in de oven kan, en van de trucker die hinkend de rechterrijstrook oploopt om het verkeer tot uitwijken en vertragen te bewegen, dàt beeld staat ook na vijfentwintig jaar haarscherp gebrand op het netvlies van de automobilisten die op de bewuste donderdag in mei van hun werk naar huis reden. Dan is een mens niet voor niets gestorven, of wat denkt u?
copyright Louis van Dievel