zaterdag 26 april 2008

Verhaal: 'De Antwerpse ring in 1979'

(Dames en heren, de familieroman nadert zijn voltooiïng. Eind mei zou het manuscript naar de uitgever moeten gaan. Ik moet bekennen dat ik me nog nooit zo onzeker heb gevoeld als over dit project en dat er zelfs faalangst onder mijn stoere bast is geslopen. Ik zou willen dat het al zes maanden later was. Maar genoeg ontboezemingen! Toen ik vorig jaar besliste om een familiegeschiedenis te schrijven, was ik eigenlijk bezig met een heel ander project: een roman met als werktitel 'Voor ik Doodga". De roman begint met een proloog, en die proloog bevat drie waar gebeurde verhalen waarin de dood een markante rol speelt. Het tweede van die drie zet ik nu op het net. Veel leesplezier.)

 

II.

De vrachtwagenchauffeur is een man van middelbare leeftijd, geen nadere specificaties. Of toch: zijn naam. De chauffeur heet Jacques en zijn vrouw (of lief of hond of kat of paard, dat valt niet met zekerheid te stellen) heet Milou. Zo staan de beide namen vermeld op de bordjes die links en rechts de voorruit van zo menige truckerscabine plegen te sieren.  En hij komt uit Frankrijk. De nummerplaat van zijn oplegger eindigt op het cijfer 56, dat moet ergens in de Elzas zijn. Het jaar is 1979, de plaats is de Antwerpse ring. Het is een donderdag in mei, kwart over vijf, spitsuur. Er rijden maar half zoveel auto’s als nu, de ring is twee rijstroken smaller.

 

Orange Marmelade

 

De chauffeur is een vracht gaan ophalen in de haven van Calais: veertig pallets beladen met potjes Engelse confituur: Orange Marmelade van MacKay.
De vracht moet naar een distributiecentrum in de buurt van Breda. De chauffeur is er nog niet eerder geweest. In de borstzak van zijn groene werkpak zit een ruwe schets die een collega-trucker voor hem heeft getekend op de achterkant van een oude leveringsbon, terwijl ze samen in Calais hun beurt afwachtten aan de laadkades. Hij hoopt om zeven uur in Breda te zijn, acht uur als het zou tegenvallen bij de douane. In het distributiecentrum wordt de klok rond gewerkt, heeft de collega hem verteld. Met wat geluk wordt zijn vracht meteen gelost.

 

Hoewel: hij vervoert geen bederfbare producten. Het zal ervan afhangen, quoi. Over warm avondeten hoeft hij zich geen zorgen te maken. In het midden van het industrieterrein waar hij wordt verwacht, is een restaurant met stopplaats gelegen, alleen voor truckers. Zijn collega heeft hem verzekerd dat de maaltijden er eetbaar zijn, ook naar Franse normen.

 

 

Zwarte rook

 


De chauffeur heeft net de Kennedytunnel achter de rug als hij in zijn spiegel flarden zwarte rook opmerkt, rook die uit het chassis van zijn oplegger lijkt op te stijgen. Nog in zijn spiegel ziet hij lichtsignalen van andere vrachtwagens. Een personenwagen rijdt hem luid toeterend voorbij, de chauffeur gesticuleert heftig vanuit zijn open raampje (en wijkt daarbij gevaarlijk af van zijn rijvak). Inmiddels voelt de chauffeur aan het slingeren van zijn truck dat er iets niet in de haak is. Hij zet zijn dubbele knipperlichten aan en rijdt voorzichtig remmend de pechstrook op, net voor de afrit naar Borgerhout.

 

Met de brandblusser in de hand springt hij uit zijn cabine. Een minuut later krabt hij zich in de haren als hij de schade overziet: een klapband, links onder de achteras. De rook was afkomstig van de in het rond vliegende stukken verschroeid rubber. Dit kan hij onmogelijk alleen repareren. Een collega heeft zijn vrachtwagen eveneens de pechstrook opgestuurd en geparkeerd, vlak achter de zijne. De hulpvaardige collega is een Hollander. Hij fluit bedenkelijk tussen zijn tanden terwijl hij op zijn hurken aan het gebogen ijzer van het achterwiel rukt. Hij veegt zijn handen af aan zijn vettige jeans.

 


‘Dat ziet er niet zo best uit vriend.’
De Franse chauffeur knikt instemmend. Soms is lichaamstaal voldoende om elkaar te begrijpen.
‘Ik zal hulp roepen, oké?”
En de Hollander wijst naar de lange antenne op het dak van zijn cabine, die zachtjes heen en weer wiegt in de wind, en naar het bordje met zijn oproepcode voor de Citizens Band : QR16Dumbo. Het is 1979, mobiele telefonie bestaat nog niet.

 

De informatiesnelweg is nog niet aangelegd

 


De Fransman vindt het allemaal goed. Hij zal vanavond wel met zijn baas bellen om de oorzaak voor de vertraging uit te leggen ( het is goed om te herhalen dat het 1979 is en dat de informatiesnelweg nog niet is aangelegd). Uit een metalen kist die aan de onderkant van zijn vrachtwagen is bevestigd, diept hij stevige werkhandschoenen en een professionele krik op, voordelig gekocht bij een takelaar. In afwachting van hulp kan hij al proberen om het kapotte wiel van de as te halen. Hij denkt dat de krik het gewicht van de lading wel aankan. Aan het tweelingwiel onder de linkerachteras mankeert niets. Hij steekt zijn duim op naar de vriendelijke Hollander, die hij in de cabine van zijn Scania Vabis met een microfoon in de weer ziet. Hij rijdt zelf met een Renault. Absoluut geen slechte truck, vindt de Fransman, hij heeft er nog maar weinig slechte ervaringen mee gehad. Maar vergeleken met een Scania….Tja.
Hij schuift de krik onder de achteras en pompt de achterkant van de vrachtwagen een beetje omhoog, om het gewicht op het andere wiel te verlichten. Dan haalt hij uit dezelfde kist een reuzenwielsleutel te voorschijn.

 

De spits is op zijn hoogtepunt

 


Het is inmiddels half zes geworden. De spits is op zijn hoogtepunt. Het hoogtepunt van 1979 wel te verstaan. Het verkeer rolt niet al te snel over drie rijstroken naar het noorden. De auto’s en trucks schuiven gewillig een metertje of meer naar links op als ze de twee vrachtwagens op de pechstrook passeren. Het veroorzaakt niet meer dan een rimpel in de verkeersstroom. In de richting van de Scheldetunnel staat er wel een file. Er wordt gewerkt aan de signalisatie op het punt waar het verkeer uit de stad de ringweg oprijdt, richting Gent.

 


De Franse chauffeur zit op zijn knieën bij de achterwielen van zijn Renault.  De moerbouten van het kapotte wiel laten zich redelijk gemakkelijk losdraaien. Hij legt de gietijzeren bouten netjes naast het voorwiel. Maar ook al zijn alle bouten nu verwijderd, nog krijgt hij het kapotte wiel niet van de as. Hij zet zich op zijn hurken, pakt het wiel met beide handen beet en zet afwisselend links en rechts kracht op zijn trekbeweging.
‘Wacht even, ik kom een handje helpen’, roept de Hollander vanuit zijn cabine. Hij heeft via zijn maats op de CB een garagist  uit het havengebied kunnen verwittigen, die gespecialiseerd is in het depanneren van trucks. Hij drinkt nog even een slok uit zijn thermoskan met thee.
‘D’accord!’, roept de Franse chauffeur terug en hij geeft nog een laatste ruk aan het weerbarstige wiel. Dat op datzelfde moment loslaat.

 

Alsof hij over een dode hond rijdt

 


Daar had de Fransman niet meer op gerekend. Hij verliest zijn evenwicht, valt ruggelings achterover en komt op de rechterrijstrook van de ring terecht. Hij glijdt zelfs nog even door op een olievlek. Een fractie van een seconde later wordt zijn hoofd verpletterd onder het voorwiel van een passerende truck, een Engelse vrachtwagen uit Holyhead, aan de Ierse zee. De chauffeur voelt een licht schok en dan nog een. Alsof hij over een dode hond rijdt. Hij heeft niet gezien hoe zijn Franse collega achterover viel. Hij zit te hoog. Pas in zijn een achteruitkijkspiegel ziet hij een lichaam op de ringweg liggen, net op het moment dat een personenwagen – waarvan de chauffeur te verrast is om uit te kunnen wijken – overheen het lichaam van de trucker rijdt, en daarmee zijn bekken breekt, alsof dat nog van belang zou zijn. De Engelsman uit Holyhead veroorzaakt bijna een kettingbotsing wanneer hij vol op zijn rem gaat staan, een dubbel spoor van verbrand rubber en asfalt trekt en zijn vrachtwagen (een Volvo tussen haakjes) half op de rijweg, half op de pechstrook tot stilstand laat komen. Achter hem stijgt een kakofonie van piepende remmen en loeiende claxons op.

 

Dat een mens gestorven is

 


De Hollander die net de dop op zijn thermoskan draaide is de bevoorrechte getuige van het drama. Hij ziet de Fransman achterover vallen, ziet hoe een truck over zijn hoofd heen rijdt, ziet dan het witte platte hoofd in een plas smurrie en bloed. Even zit hij als verlamd achter het stuur. Dan roept hij een alarmkreet in de microfoon van zijn CB-bakje, springt uit de cabine op het asfalt, verzwikt daarbij zijn enkel en loopt mankend naar het aanstormende verkeer toe, altijd iets meer de rijweg op, maakt met gespreide armen duidelijk dat er moet vertraagd worden, dat er moet gestopt worden. Dat een mens gestorven is.

 

De file die daarop ontstaat is ook naar de normen van 1979 aanzienlijk te noemen. Het tragische ongeval haalt de voorpagina’s van de Gazet van Antwerpen en van De Nieuwe Gazet, die beide een wazige foto afdrukken waarop enkel de ringweg met zekerheid te herkennen valt, en met enige goede wil ook de Renault en de Scania Vabis op de pechstrook. Maar het beeld van dat hoofd, bleek en plat en vormeloos als brooddeeg dat zo in de oven kan, en van de trucker die hinkend de rechterrijstrook oploopt om het verkeer tot uitwijken en vertragen te bewegen, dàt beeld staat ook na vijfentwintig jaar haarscherp gebrand op het netvlies van de automobilisten die op de bewuste donderdag in mei van hun werk naar huis reden. Dan is een mens niet voor niets gestorven, of wat denkt u?


copyright Louis van Dievel

zaterdag 19 april 2008

Verhaal: 'Een koerier van 59'

 

(Toen ik vorig jaar besliste om een familiegeschiedenis te schrijven, was ik eigenlijk bezig met een heel ander project: een roman met als werktitel 'Voor ik Doodga". De roman begint met een proloog, en die proloog bevat drie waar gebeurde verhalen waarin de dood een markante rol speelt. Het eerste  van die drie zet ik nu op het net. Veel leesplezier.)


I.

De man is negenenvijftig. Hij werkt voor een koerierbedrijf in Brussel. Kies maar uit, in het telefoonboek staan er wel dertig verschillende vermeld. Koerier. Het is geen beroep dat iemand uit roeping beoefent. Dat laat zich althans vermoeden. Het is een vak voor jonge mannen en vrouwen die niet opzien tegen lange werkdagen, een leven in de auto, uitlaatgassen, junkfood, die bestand zijn tegen de stress van de deadline. Het is de geknipte baan voor pas afgestudeerde Masters kunstgeschiedenis of Oosterse talen die in hun Kangoo door het spitsverkeer slalommen zonder veel acht te slaan op de verkeersregels. Die nonchalante, wat verveelde wegwerpgebaren maken naar het claxonprotest dat opstijgt bij ieder bruusk manoeuvre.

 

De klant is altijd ongedurig

 

Wat kan het hen ook schelen. De klant wacht. De klant is ongedurig, is nooit anders dan ongedurig. De klant is koning. Een gehaalde deadline is een persoonlijke overwinning. Iets wat voldoening schenkt. En als de jonge koeriers slagen voor hun toegangsexamen in het verkeer van de hoofdstad, mogen ze volgende maand misschien pakjes bezorgen in Parijs of Zürich of zelfs Milaan. In een snelle Vito over het linker rijvak van de autoweg razen, met de koplampen als aanvalswapen. Zalig. De vrijheid die men heeft, mevrouw, mijnheer. En het verdient goed. En het is maar tijdelijk. Koerier is men in afwachting van. Voor wie jong is tenminste.

 

Een vak voor vijftigplussers



Maar koerier is ook een vak voor vijftigplussers. Voor zelfstandigen die hun zaak hebben moeten sluiten, op de fles zijn gegaan, ziek zijn geworden. Voor arbeiders van gefailleerde bedrijven, van bedrijven in herstructurering, van gedelocaliseerde bedrijven. Voor bedienden die hun zeker geachte baan bij die gerenommeerde onderneming toch verloren hebben én helaas ook nog studerende kinderen op kamers hebben. Voor gescheiden, gedumpte vrouwen zonder opleiding. Voor pechvogels op jaren in het algemeen en in het bijzonder. Ze zijn koerier geworden omdat ze geen andere keuze hebben. Ze willen niet de hele dag in de auto zitten, hun lichaam is er niet meer tegen bestand. Ze krijgen kramp en peesontstekingen, een zere rug, een stijve nek. Maar ze moeten. Het is het enige werk dat ze nog kunnen krijgen.

 

Ze rijden zich vast

 

En vaak zijn ze er niet bijster goed in. Ze zijn niet goed in het inschatten van het verkeer, ze kiezen de verkeerde rijstrook, de verkeerde route, de foute binnenweg. Ze rijden zich vast. Ze weten niet hoe ze de gps moeten instellen, ze verliezen kostbare tijd met het zoeken op stadsplannen. Ze dragen een bril aan een touwtje. Ze vloeken, ze zweten. Ze haten de spits. Ze haten de andere automobilisten. Ze zien er belachelijk uit in hun koeriersuniformen en ze voelen zich ook zo. Ze schrikken als de gsm zijn wijsje piept: alweer de operator van de centrale dispatching, wie anders. Laten piepen kan niet, wordt niet getolereerd. Niet antwoorden is ontslag. Waar ben je?  De klant wacht. Het pakje is beloofd tegen vijf uur. Het is al half zes. Ben je daar nog maar? De klant is ongedurig. De klant is ontevreden. En gisteren was je ook al te laat. Ze zien de deadline niet als een uitdaging, maar als een vijand. Als dé vijand. Ze krijgen maagkrampen en hartkloppingen. En aan het eind van de werkdag gaan ze ontredderd en met barstende hoofdpijn naar huis.

 

Een karweitje voor de openbare omroep



Terug naar onze man. Hij is dus negenenvijftig, sinds vorige maand. Is er een feestje geweest? We weten het niet. Stond de verjaardag in iemands agenda? Geen idee.  De koerier moet een pakje ophalen in Vilvoorde, bij een regionaal televisiestation. Het colli moet naar de grote omroep in Brussel, naar de nieuwsdienst. Hij kan al raden wat er in de gewatteerde enveloppe zal zitten: een videotape die nog in het journaal van zeven uur moet. Hij heeft die boodschap al vaker gedaan. De tape ligt niet klaar als hij zich in Vilvoorde bij de balie aanmeldt. Dat verbaast hem niet, de tape ligt haast nooit klaar. Het is kwart over zes. Het pakje moet om kwart voor zeven uiterlijk aan de Reyerslaan in Brussel zijn.

 

Onze koerier moet nog tien minuten wachten, wordt hem verteld. Hij belt met de dispatching, om ze te waarschuwen. De operator zegt dat hij zijn best moet doen, dat de grote omroep een grote klant is. Maar de koerier weet nu al dat het moeilijk wordt, dat hij ongelooflijk veel geluk zal moeten hebben om de deadline te halen. Hij slaat beleefd een kop koffie af. Zijn maag doet al sinds de middag pijn. Hij voelt zich misselijk en moe. Hij sterkt zich met de gedachte dat het zijn laatste klus voor deze werkdag is.  Heeft hij een vrouw die op hem wacht met het eten, komen zijn kinderen ’s zondags op bezoek, bezit hij een eigen huis, loopt hij ’s avonds een blokje om met de hond? We weten het niet.

 

Foute keuze



De tien minuten wachttijd worden er uiteindelijk achttien. Hij holt met de enveloppe naar zijn slordig geparkeerde bestelwagen. Zijn hand beeft als hij de contactsleutel omdraait. Het eerste verkeerslicht op de Luchthavenlaan staat op rood en het tweede ook. Het is twintig voor zeven. Het verkeer aan de verkeerswisselaar van Machelen is druk maar vloeiend. Wat zal hij doen? De buitenring nemen op of langs de NAVO rijden? Hij kiest voor de tweede mogelijkheid. Foute keuze. Aan het kruispunt met de Haachtse Steenweg is een ongeluk gebeurd. Niets ernstigs, maar het verkeer staat er stil. Het is twaalf voor zeven. Hij volgt een taxi die over gras van de middenberm rijdt, schraapt met de flank van zijn bestelwagen langs een verkeersbord om een fietser te ontwijken. Maar dat zijn zorgen voor later. Het is negen voor zeven.

 

Een sluipweg

 

Aan de Delhaize neemt hij de bekende sluipweg om het vermaledijde Meiserplein te ontwijken. Om een botsing te vermijden moet hij een stadsbus laten voorgaan, die aan elke halte van de Genèvestraat stopt. Het is vijf voor zeven. De operator belt andermaal als hij de Leuvense steenweg oversteekt. Hij verzekert hem ervan dat het nog maar een kwestie van minuten is nu. Hij heeft het raampje van de bestelwagen open gedraaid en steekt zijn hoofd half naar buiten. Hij is kotsmisselijk. Zijn rug is nat van het zweet. De slagboom van het omroepbedrijf gaat snel open, het is twee voor zeven. De ene lift staat op de zevende verdieping, de andere is buiten dienst. Hij rent de trappen op. Na drie tellen klopt zijn hart als gek onder zijn ribbenkast. Hij voelt een stekende pijn in zijn schouder of is het zijn bovenarm. Iemand zet een krabbel op zijn formulier, scheurt de enveloppe open en rent op zijn beurt met de tape een deur binnen.



Hij leunt hijgend tegen de muur. Zo beroerd heeft hij zich al lang niet meer gevoeld. Plots is de misselijkheid daar weer, dwingender dan daarnet. Hij probeert zijn ingewanden te kalmeren door diep in en uit te ademen. Tegelijk stapt hij met trage, onzekere passen naar het einde van de gang, naar de toiletten. De mannen-wc is bezet. Hij braakt overvloedig in de wastafel. Een stem achter de gesloten wc-deur geeft ontstemd commentaar. Hij hoort het niet. Hij wil zitten, rusten, bekomen. Zonder nadenken loopt de koerier het vrouwentoilet aan de overkant binnen. Hij klapt het wc-deksel neer, draait de deur op slot en zakt door zijn knieën. Dan is er enkel nog een alles doordringende pijn en wordt alles zwart. De koerier zakt opzij, zijn vallende lichaam wordt tegengehouden door de muur. Maar dat weet hij niet meer. Het is tien over zeven.

Blaasontsteking



Om half acht morrelt een schminkster aan de gesloten deur. Om acht uur is het de beurt aan een omroepster om geïrriteerd op de deur te roffelen en dan naar een ander toilet te hollen. Ze heeft last van een blaasontsteking. Ze klagen er later op de avond tegen elkaar over dat twee damestoiletten dichtbij de uitzendstudio toch geen luxe zouden zijn. Tot negen uur de volgende ochtend gebeurt er niets. De Turkse schoonmaakster roept haar chef erbij wanneer na herhaald kloppen nog altijd niemand reageert achter de gesloten deur. Ze heeft een loper maar ze durft hem niet te gebruiken. Eén keer heeft ze een verstrengeld paartje betrapt dat haar verwijtend aankeek en haar met aandrang verzocht de deur opnieuw in het slot te doen.

 

Dat wilde ze niet nog een keer meemaken, ze had er wekenlang van gedroomd, van die gênante situatie. Ze heeft er thuis niets over durven vertellen. De chef klopt op zijn beurt wel vijftig keer op de deur en vraagt in het Frans, het Vlaams en het Turks om alstublieft de deur open te maken. De bewaking wordt erbij geroepen. Opnieuw wordt er op de deur geklopt, met aandrang, met de waarschuwing dat de deur meteen zal worden geopend met een loper.

 

Als een lopend  vuurtje

 

Het ineengezakte lichaam van de koerier is al helemaal stijf geworden. Het nieuws van de dode man op het damestoilet gaat als een lopend vuurtje doorheen de vele gangen en verdiepingen van het omroepgebouw. Het toilet wordt door de erbij gehaalde politie verzegeld. En dan door diezelfde politie vergeten. Wie maalt er om een koerier die een hartinfarct heeft gekregen? Op den duur besluit de bevoegde dienst van de omroep het damestoilet op eigen risico te heropenen, niet zonder een grondige schoonmaakbeurt en na een likje verf op de muren.

 

Maar de schminksters, de kleedsters, de omroepsters en ja zelfs de nieuwslezeressen weigeren halsstarrig om het toilet te gebruiken zolang niet het hele interieur is vervangen. De pot, de bril en het deksel dus. En de spoelknop, ja ook de spoelknop. Er gaan dienstnota’s over en weer. Er gaat een maand overheen voor het bewuste damestoilet dusdanig is vernieuwd dat weer acceptabel is voor de vaste gebruiksters. Hoewel, wat heet acceptabel? Het damestoilet wordt nog amper gebruikt.

 

Een onderdeel van de onthaalprocedure

 

Maar het lugubere verhaal van de dode man op de vrouwen-wc wordt springlevend gehouden. Ieder nieuw personeelslid van de televisie krijgt het te horen, als was het een onderdeel van de onthaalprocedure. Geen enkele bezoeker ontsnapt eraan. Er klinkt geen deernis door in de stem van de vertellers. De mensen zijn wreed. Telkens als het verhaal wordt naverteld en onvermijdelijk wordt aangedikt, glanzen de ogen van de verteller – en na een poosje ook die van de luisteraar - van sensatiezucht. Het is al gezegd: wie maalt er om de dood van een koerier van negenenvijftig?

 
copyright Louis van Dievel